Naar boven ↑

Rechtspraak

Medische beoordeling ontbeert voldoende feitelijke grondslag; verzekerde heeft recht op ziekengeld.

Appellant is vanaf 22 juli 2013 werkzaam via een uitzendbureau. Op 29 september 2013 eindigt zijn dienstverband. Op 16 december 2013 meldt appellant zich ziek met psychische klachten. Op dat moment ontvangt hij een WW-uitkering. UWV brengt appellant naar aanleiding van zijn ziekmelding in aanmerking voor een ZW-uitkering. In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) acht de verzekeringsarts appellant op 20 oktober 2014 belastbaar met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige acht appellant niet in staat zijn eigen werk te verrichten, en stelt vast dat appellant nog 83,94% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. UWV stelt bij besluit van 10 december 2014 vast dat appellant met ingang van 16 januari 2015 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In het onderhavige geschil dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt op een voldoende feitelijke grondslag is gebaseerd. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Uit het dossier blijkt dat bij appellant al vele jaren sprake is van psychische problematiek. UWV heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gezondheidssituatie van appellant in de periode van 17 januari 2015 tot 5 juni 2015 dusdanig verbeterd was dat hij in staat kon worden geacht tot het verrichten van arbeid. Ondanks het gegeven dat objectieve informatie met betrekking tot de datum in geding ontbreekt, ziet de Raad, gelet op de feiten zoals deze uit het dossier blijken met betrekking tot de periode kort voor of na de datum in geding en het gegeven dat het in het onderhavige geschil gaat om een afgesloten periode van ruim vier maanden, aanleiding om appellant bij de beantwoording van de rechtsvraag het voordeel van de twijfel te geven. De Raad komt tot de slotsom dat de medische beoordeling die aan de beƫindiging van de ZW-uitkering ten grondslag ligt op een onvoldoende feitelijke grondslag is gebaseerd, zodat deze de conclusie niet kan dragen dat appellant per 16 januari 2015 weer geschikt was voor de in aanmerking komende arbeid. Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, omdat het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten. Het primaire besluit van 10 december 2014 wordt herroepen onder bepaling dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit. Gevolg daarvan is dat appellant per 16 januari 2015 recht heeft op ziekengeld.