Rechtspraak
Betrokkene is vanaf 1981 tot oktober 2000 voltijds werkzaam bij een stichting, en van oktober 2000 tot januari 2001 voor 20 uur per week. Zij heeft daar pensioen opgebouwd bij Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). Per 1 oktober 2000 is betrokkene bij een ander bedrijf werkzaam voor 16 uur per week, en per 1 januari 2001 voor 40 uur per week. Omdat betrokkene ziet aankomen dat haar dienstverband bij dit bedrijf ging eindigen, laat zij haar bij PFZW opgebouwde ouderdomspensioen met ingang van 1 februari 2014 vervroegd uitbetalen. Dit prepensioen bedroeg € 902 netto per maand. Het dienstverband van betrokkene bij laatstgenoemd bedrijf eindigt vervolgens per 1 juli 2014. Bij besluit van 23 juni 2014 brengt UWV betrokkene met ingang van 1 juli 2014 in aanmerking voor een WW-uitkering, waarop het prepensioen van betrokkene in mindering wordt gebracht. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van artikel 34 lid 1 WW in verbinding met artikel 3:5 lid 1 onder a AIB geldt als hoofdregel dat prepensioen volledig wordt verrekend met de WW-uitkering. Het prepensioen dat betrokkene vanaf 1 februari 2014 ontving, is een uitkering als bedoeld in artikel 3:5 lid 1 onder a AIB. De vraag is of het prepensioen van betrokkene valt onder de uitzondering als bedoeld in artikel 3:5 lid 2 AIB, zodat het niet moet worden aangemerkt als inkomen dat moet worden verrekend met haar WW-uitkering. Nu het hier gaat om een uitzondering op de hoofdregel dient deze bepaling restrictief te worden uitgelegd. Uit de tekst van en toelichting op artikel 3:5 AIB volgt dat deze uitzonderingsbepaling alleen van toepassing is als het prepensioen voortvloeit uit een dienstbetrekking die (op enig moment) werd verricht naast de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos wordt. De uitzonderingsregeling van artikel 3:5 lid 2 AIB houdt verband met de systematiek van de WW, die meebrengt dat meerdere WW-rechten naast elkaar kunnen ontstaan en (blijven) bestaan. Met deze regeling wordt bewerkstelligd dat een uitkering wordt betaald die zo veel mogelijk aansluit bij de terugval in inkomen. Weliswaar staat vast dat betrokkene de dienstbetrekkingen met de stichting en het bedrijf op enig moment (namelijk in de periode van oktober 2000 tot januari 2001) naast elkaar heeft vervuld, maar ook staat vast dat betrokkene vanaf januari 2001 voltijds is gaan werken bij het bedrijf en daarmee haar verlies aan arbeidsuren bij de stichting volledig heeft gecompenseerd. Bovendien staat vast dat zij het prepensioen bij de stichting niet heeft opgenomen ter compensatie van haar verlies aan arbeidsuren bij de stichting, maar ter compensatie van het (verwachte) verlies aan arbeidsuren bij het bedrijf. Zodoende heeft betrokkene haar prepensioen niet aangewend ter compensatie van het verlies aan arbeidsuren uit het dienstverband bij de stichting, en voldoet dit prepensioen niet aan de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5 lid 2 AIB. Het hoger beroep (van UWV) slaagt.