Naar boven ↑

Rechtspraak

Loonsanctie: onvoldoende re-integratie-activiteiten zonder deugdelijke grond.

Werknemer is vanaf 1987 in dienst van appellante. Op 8 februari 2012 valt werknemer uit wegens rugklachten, een nekhernia en psychische klachten. Op 16 mei 2012 vult de bedrijfsarts van appellante een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in waarin de belastbaarheid van werknemer is weergegeven. Op 5 juli 2012 doet een arbeidsdeskundige op verzoek van appellante, mede naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts en de door deze opgemaakte FML, een onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden van werknemer en adviseert de arbeidsdeskundige een tweesporenbeleid in verband met onzekerheid over structurele re-integratie bij de eigen werkgever. In een rapport van 4 september 2012 concludeert UWV dat de tot dan toe door appellante verrichte re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn en dat naast het zogenoemde eerste spoor ook het tweede spoor moest worden opgestart. Re-integratie in het tweede spoor wordt vanaf 12 september 2012 ingezet onder ondersteuning van een loopbaanbegeleider van een re-integratiebedrijf. Vanaf 10 oktober 2012 stelt de bedrijfsarts zich op het standpunt dat werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft. Werknemer vraagt op 28 oktober 2013 een WIA-uitkering aan. Op basis van rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige legt UWV appellante bij besluit van 16 december 2013 een loonsanctie van 52 weken op, omdat de re-integratie-inspanningen van appellante als onvoldoende zijn beoordeeld. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft aan de loonsanctie ten grondslag gelegd dat de activiteiten in het tweede spoor te beperkt zijn geweest, omdat de bedrijfsarts ten onrechte heeft gesteld dat er geen benutbare mogelijkheden waren. In de verslagen van de spreekuurcontacten van de bedrijfsarts met werknemer is geen gemotiveerde uiteenzetting te vinden van de opvatting dat werknemer vanaf 10 oktober 2012 geen benutbare mogelijkheden meer zou hebben. De verslagen bevatten geen onderzoeksbevindingen noch gegevens waaruit blijkt dat er regelmatig contact was met de behandelaars van werknemer. Het standpunt van appellante dat bij werknemer geen sprake was van benutbare mogelijkheden kan dan ook niet worden gevolgd nu de gedingstukken daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bieden. Met de rapporten van de verzekeringsartsen heeft UWV voldoende inzichtelijk gemaakt dat appellante ten onrechte is afgegaan op de opvatting van haar bedrijfsarts. Appellante wordt evenmin gevolgd in haar standpunt dat zij alsnog voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en gedaan heeft wat in redelijkheid van haar als werkgeefster kon worden verlangd. De Raad komt tot de slotsom dat UWV terecht heeft geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht en er voor de tekortkomingen in de re-integratie geen deugdelijke grond bestaat. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.