Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking; terechte herziening en terugvordering uitkeringen.

Appellant vraagt in 2012 een faillissementsuitkering bij UWV aan. UWV kent deze uitkering aan appellant toe. Met ingang van 12 juni 2012 brengt UWV appellant in aanmerking voor een ZW-uitkering. Deze uitkering wordt per 9 juni 2014 beëindigd omdat appellant 104 weken ziek is. Aansluitend wordt appellant in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Naar aanleiding van een onderzoek naar gefailleerde werkgevers stelt UWV vast dat appellant niet werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat hij niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. UWV trekt de WIA-uitkering in en vordert de onverschuldigd betaalde WW-, ZW- en WIA-uitkeringen terug. Het bezwaar en beroep tegen deze besluiten worden ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De rechtbank heeft van belang geacht dat uit het telefoonnummer van de bv waar appellant werkzaam zou zijn geweest bij een ander bedrijf in gebruik was, dat het pand waar die bv gevestigd zou zijn dicht bleek te zijn en dat er geen activiteiten werden uitgevoerd. Uit gegevens van de Belastingdienst is voorts gebleken dat er geen omzetten werden aangegeven en er geen activiteiten bekend waren. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het onderzoeksrapport voldoende basis biedt voor de conclusie dat appellant niet in dienstbetrekking heeft gestaan en derhalve niet verzekerd was. De omstandigheid dat in hoger beroep is gebleken dat de bv in 2011 wel omzet heeft gegenereerd, doet niet af aan het feit dat UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellant en de bv geen dienstbetrekking heeft bestaan. Appellant heeft weliswaar bij de aanvraag een document met daarop de titel ‘arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd’ overgelegd, maar gebleken is dat de gang van zaken over de totstandkoming van de ‘arbeidsoverkomst’ veel vraagtekens heeft doen rijzen. Het hoger beroep faalt.