Naar boven ↑

Rechtspraak

Ten tijde van intreden van het verzekerde risico (ziekte) was werknemer in dienst van appellante; werknemer was uit hoofde van die dienstbetrekking verzekerd voor de ZW; schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Werknemer werkt vanaf 15 augustus 2006 bij een werkgever. Het dienstverband wordt door middel van een vaststellingsovereenkomst met ingang van 22 februari 2013 beëindigd. UWV brengt werknemer vervolgens in aanmerking voor een WW-uitkering. Werknemer treedt per 25 maart 2013 in dienst bij appellante op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding. Op 6 mei 2013 meldt werknemer zich met ingang van 20 april 2013 ziek bij UWV in verband met psychische klachten. Bij besluit van 19 juli 2013 brengt UWV werknemer, nadat hem nog gedurende dertien weken de hiervoor vermelde WW‑uitkering was doorbetaald, de werknemer met ingang van 20 juli 2013 in aanmerking voor een ZW-uitkering. Werknemer maakt bezwaar tegen dit besluit in verband met de vaststelling van de hoogte van het dagloon van zijn ZW‑uitkering. UWV verklaart het bezwaar ongegrond, nu werknemer geen recht op een ZW-uitkering zou hebben op basis van zijn WW-uitkering. Bij besluit van 27 november 2013 brengt UWV werknemer met ingang van 24 april 2013 in aanmerking voor een ZW-uitkering. Volgens appellant (derhalve: werkgever) was echter sprake van een doorlopende ziekmelding vanaf 2011. Het bezwaar en beroep van appellant tegen voornoemd besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Vaststaat dat appellant belanghebbende is in de onderhavige procedure, omdat het besluit waarbij de werknemer met ingang van 24 april 2013 in aanmerking is gebracht voor een ZW-uitkering, van invloed is op de hoogte van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas van appellant. Het oordeel van de rechtbank dat de werknemer vanaf 24 november 2011 niet doorlopend arbeidsongeschikt is geweest, wordt onderschreven. UWV heeft terecht geconcludeerd dat werknemer ten tijde van zijn ziekmelding op 20 april 2013 verplicht verzekerd was voor de ZW uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij appellant. Anders dan appellant stelt, is voor het antwoord op de vraag of de werknemer op grond van artikel 3 lid 1 ZW verplicht verzekerd is voor de ZW niet bepalend de situatie op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (22 april 2013) of de eerste uitkeringsdag (24 april 2013), maar het moment waarop het verzekerde risico (de ziekmelding) is ingetreden, te weten 20 april 2013. Nu de dienstbetrekking eerst door de ziekmelding is geëindigd, was de werknemer ten tijde van het intreden van het verzekerde risico nog in dienst van appellant, zodat hij uit hoofde van die dienstbetrekking was verzekerd voor de ZW. Nu sprake is van een redelijke termijnoverschrijding, wordt de Staat der Nederlanden veroordeeld in de proceskosten van appellant, voor zover deze kosten zijn te relateren aan het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 250,50.