Rechtspraak
Betrokkene wordt met ingang van 3 februari 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 36 per week. Naar aanleiding van een anonieme melding verricht UWV onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene betaalde WW-uitkering. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat betrokkene in de periode september 2014 tot januari 2015 fulltime hulp heeft geboden in de onderneming van een vriend, bij wijze van vriendendienst, omdat de echtgenote van die vriend ernstig ziek was. Betrokkene heeft geen vergoeding voor zijn werkzaamheden ontvangen. Bij besluit van 13 maart 2015 trekt UWV de WW-uitkering van betrokkene met ingang van 1 september 2014 in, omdat betrokkene voornoemde werkzaamheden niet heeft gemeld. Tevens is de onverschuldigd betaalde WW-uitkering teruggevorderd en is aan betrokkene een boete opgelegd. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen dit besluit gegrond verklaard, nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van dringende redenen om af te zien van het terugvorderen van WW-uitkering en het opleggen van een boete. Die dringende redenen zijn gelegen in de omstandigheid dat betrokkene niet opzettelijk heeft nagelaten appellant te informeren, aangezien hij zijn werkzaamheden als vriendendienst zag en hij enkel heeft gehandeld uit medemenselijkheid. De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Naar het oordeel van de Raad kunnen, anders dan betrokkene heeft gesteld, de werkzaamheden in kwestie niet worden aangemerkt als vriendendienst of vrijwilligerswerk, omdat zij zijn verricht in het economisch verkeer en er het verkrijgen van geldelijk voordeel mee is beoogd dan wel, volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen, redelijkerwijs kon worden verwacht. Het al dan niet daadwerkelijk ontvangen van een vergoeding is hierbij niet van belang. De werkzaamheden zijn dan ook te beschouwen als werkzaamheden uit hoofde waarvan betrokkene op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Betrokkene heeft derhalve de inlichtingenplicht van artikel 25 WW geschonden. De Raad overweegt voorts dat dringende redenen voor het afzien van intrekking en terugvordering van de uitkering slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de terugvordering voor een verzekerde heeft. Naar het oordeel van de Raad is hier geen sprake van. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak.