Rechtspraak
Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de vestiging van BV waar appellant werkte met ingang van 6 april 2014 is opgeheven. Appellant verklaart zijn werkzaamheden niettemin onverminderd en op dezelfde wijze te hebben voortgezet. Op 27 oktober meldt hij zich ziek. BV betaalt tot en met 24 oktober 2014 het salaris van appellant. Uit een door appellant overgelegd e‑mailbericht van 26 november 2014 blijkt dat het loon eerst na ondertekening van de beëindigingsovereenkomst aan hem zou worden betaald. Appellant tekent deze overeenkomst niet en verricht na 24 oktober 2014 geen werkzaamheden meer. Hij heeft sindsdien geen loon ontvangen. Appellant dient op 12 februari 2015 bij UWV een aanvraag in om overneming van de betalingsverplichtingen van BV wegens betalingsonmacht van de werkgever. Bij besluit van 2 maart 2015 wijst UWV deze aanvraag af. Niet is gebleken en appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat BV in een blijvende toestand van betalingsonmacht verkeert en ook aan de overige voorwaarden van artikel 61 van de WW is niet voldaan. Appellant gaat hiertegen in beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Nu UWV aan het bestreden besluit niet ten grondslag heeft gelegd dat sprake is geweest van een overgang van onderneming zal uitsluitend worden beoordeeld of BV ten tijde van de aanvraag van appellant verkeerde in een blijvende toestand van opgehouden hebben te betalen als omschreven in artikel 61 van de WW (betalingsonmacht). Wanneer geen sprake is van een faillissement, zoals bij BV, is het aan de werknemer om aannemelijk te maken dat zijn werkgever verkeerde in een situatie van betalingsonmacht. Indien de werknemer voldoende aanwijzingen voor het bestaan van zodanige situatie heeft aangedragen is het vervolgens aan UWV om nader onderzoek te doen. Gewezen wordt op de uitspraken van de Raad van 1 oktober 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG1788) en van 5 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5202). De door appellant ter onderbouwing van de gestelde betalingsonmacht overgelegde stukken en de gegevens uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel wijzen weliswaar op een ondoorzichtige bedrijfsvoering, maar bevatten geen duidelijke aanwijzingen voor het aannemen van een toestand van betalingsonmacht van BV ten tijde van de aanvraag van appellant. Ook het in hoger beroep door appellant overgelegde bankafschrift van een oud‑collega, waaruit blijkt dat die collega in november 2014 haar loon ontving van de bankrekening van een ander bedrijf en van een andere bankrekening dan appellant in de maanden daarvoor, wijst niet op betalingsonmacht van BV, nu als omschrijving van die loonbetaling is genoemd: ‘salaris BV’. Verder duiden het door appellant overgelegde e‑mailbericht van 26 november 2014 en het feit dat collega’s van appellant wel werden betaald en geen aanvragen om een faillissementsuitkering hebben ingediend veeleer op betalingsonwil van BV dan op blijvende betalingsonmacht. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat BV verkeerde in een blijvende toestand van opgehouden hebben te betalen. De door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 27 mei 2016 ziet op een andere situatie dan hier aan de orde en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep slaagt niet.