Naar boven ↑

Rechtspraak

Arbeidsongeschiktheid van appellante vindt ook op en na 2 juli 2014 haar oorzaak in zwangerschap en/of bevalling.

Appellante was werkzaam als schoonmaakster, toen zij zich met ingang van

27 maart 2013 ziek meldde met klachten die verband hielden met haar zwangerschap. Ingaande 30 maart 2013 is het dienstverband van appellante geëindigd. Vanaf 9 september 2013 tot 19 februari 2014 heeft appellante een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg. Appellante is aansluitend in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met bekkenklachten en rugklachten als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Nadien zijn bij appellante tevens psychische klachten ontstaan. Een verzekeringsarts van het UWV stelt vast dat appellante door een dissociatieve stoornis en aspecifieke chronische rugpijn tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft, maar dat de oorzaak van deze ongeschiktheid niet is gelegen in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Bij besluit van 8 juli 2014 heeft UWV de ZW-uitkering verlaagd van 100% naar 70% van het dagloon.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Partijen houdt verdeeld de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellante ook op en na 2 juli 2014 haar oorzaak vindt in zwangerschap en/of bevalling. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Hij overweegt daartoe het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de arbeidsongeschiktheid een direct gevolg moet zijn van de zwangerschap en/of bevalling wil aanspraak kunnen worden gemaakt op een uitkering ter hoogte van het dagloon ingevolge artikel 29a van de ZW (zie onder meer de uitspraken van 23 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9302 en van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8634). Uit eveneens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:267) volgt dat indien causaal verband niet wordt aangenomen het buiten twijfel moet staan dat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid zijn oorzaak niet (mede) vindt in de zwangerschap. Appellante ondervond al voor haar (laatste) zwangerschap rug- en bekkenklachten. Deze klachten zijn tijdens haar zwangerschap verergerd en juist die klachten vormden in het medisch rapport van 17 februari 2014 reden om, vanuit de diagnose bekkeninstabiliteit, beperkingen aan te nemen voor rugbelastende taken/werkzaamheden. UWV heeft dus aanvankelijk en na medisch onderzoek aannemelijk geacht dat de rug- en bekkenklachten hun oorzaak vonden in de zwangerschap en bevalling van appellante. De woordkeuze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de medische beoordeling (‘meer waarschijnlijk dat er een andere oorzaak is voor de ervaren klachten’), stelt niet buiten twijfel dat de rugklachten van appellante voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap/bevalling.