Naar boven ↑

Rechtspraak

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. De door appellant verrichte activiteiten hadden met ingang van 1 juni 2014, en dus reeds voor het intreden van zijn werkloosheid, het stadium van een hobby gepasseerd.

Appellant is vanaf 23 augustus 2004 als docent werkzaam in dienst van de Stichting. Met ingang van 1 juni 2014 was hij vrijgesteld van werk/op non-actief gesteld. Het dienstverband eindigt door middel van een vaststellingsovereenkomst per 1 oktober 2014. UWV brengt appellant met ingang van 1 oktober 2014 in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een verlies van 37 arbeidsuren per week. Naar aanleiding van een interne melding dat appellant werkzaamheden zou verrichten als zelfstandige start UWV een onderzoek. Bij besluit van 2 september 2015 herziet UWV de WW-uitkering van appellant (lees: trekt in) en vordert in verband daarmee over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 19 juli 2015 een bedrag van € 25.585,89 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering van hem terug. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet aan UWV heeft doorgegeven dat hij als zelfstandige heeft gewerkt. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of appellant vanaf 1 oktober 2014 binnen de onderneming als zelfstandige werkzaam is geweest. Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat hij niet als zelfstandige werkzaam is geweest. Het gaat slechts om werkzaamheden verricht in het kader van zijn hobby. Volgens UWV is sprake geweest van werkzaamheden als zelfstandige en heeft appellant zijn werknemerschap als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW verloren.

De Raad oordeelt als volgt. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9083) wordt onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest, verstaan arbeid die in het economische verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of, volgens het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs, kan worden verwacht. Appellant heeft op 24 juli 2015 tegenover de inspecteur van UWV verklaard dat hij hoopt dat hij fulltime kan gaan doen wat hij leuk vindt en waar hij goed in is. Appellant heeft ook verklaard dat hij feitelijk na de feestelijke opening (op 1 juni 2014) ook dagelijks aanwezig was gedurende de openingstijden, in afwachting van klanten om hen te adviseren over de wijnen. De ter zitting afgelegde verklaring van getuige [naam getuige] heeft geen wezenlijk ander licht op de activiteiten van appellant geworpen. De door appellant verrichte werkzaamheden dienen, gelet op de aard en de omvang ervan, te worden aangemerkt als werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn waarmee enig geldelijk voordeel werd beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. De door appellant verrichte activiteiten hadden met ingang van 1 juni 2014, en dus reeds voor het intreden van zijn werkloosheid, het stadium van een hobby gepasseerd.