Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft ten aanzien van betrokkene die laatstelijk in Italië werkzaam was en nooit eerder in Nederland werkzaam was, terecht de in Italië vervulde tijdvakken niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van het recht op WW-uitkering.

Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit. Vanaf 2008 woont zij in Italië en werkt zij daar in loondienst. Op 2 mei 2014 eindigt haar dienstverband. Betrokkene is daarna teruggekeerd naar Polen en heeft zich vervolgens op 22 mei 2014 in Nederland gevestigd. Op 30 september 2015 vraagt betrokkene een WW-uitkering aan, die bij besluit van 21 oktober 2015 wordt afgewezen. Het bezwaar tegen voornoemd besluit is ongegrond verklaard. Het beroep van betrokkene is gegrond verklaard, waarna UWV een nieuw besluit op het bezwaar diende te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, omdat betrokkene haar beroepswerkzaamheden in Italië heeft beëindigd en zich in Nederland heeft gevestigd. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) met betrekking tot artikel 11 lid 3 sub 2 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna: Vo 883/2004). UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van titel II van Vo 883/2004 niet in het geding is, omdat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van titel III voor het verkrijgen van een WW-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene voorafgaand aan haar werkloosheid laatstelijk in Italië tijdvakken van verzekering of arbeid heeft vervuld. Ook is niet in geschil dat betrokkene voorafgaand aan de aanvraag nooit in Nederland werkzaamheden had verricht, zodat zij in Nederland op dat moment geen tijdvakken van wettelijke werkloosheidsverzekering had vervuld. Betrokkene heeft gesteld dat de weigering van UWV om de in Italië vervulde tijdvakken van verzekering of arbeid in aanmerking te nemen een belemmering oplevert van het vrije verkeer van werknemers. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU over Vo 1408/71 volgt dat de vraag of een lidstaat voor de toekenning van een werkloosheidsuitkering de tijdvakken van arbeid of verzekering die krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat zijn vervuld in aanmerking dient te nemen, alleen moet worden beantwoord aan de hand van artikel 67 van die verordening. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een werkzoekende die nooit onderworpen is geweest aan de sociale wetgeving van de lidstaat waar hij een werkloosheidsuitkering aanvraagt en die dus ook geen tijdvakken van verzekering of arbeid krachtens de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat heeft vervuld, niet op grond van artikel 67 Vo 1408/71 werkloosheidsuitkeringen kan ontvangen. Het Hof van Justitie EU heeft in het arrest M geoordeeld dat niet is gebleken van elementen die de geldigheid van voornoemde bepalingen kunnen aantasten. De Raad ziet geen aanknopingspunten om met betrekking tot de geldigheid van artikel 61 lid 2 Vo 883/2004 tot een ander oordeel te komen. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.