Rechtspraak
Werknemer is sinds 10 september 1990 in dienst van appellante voor gemiddeld 21 uren per week. Hij was werkzaam als verkoopmedewerker in de vestiging [X.] op de afdeling meubels, gordijnen en tapijten. Werknemer ondertekent een overeenkomst voor de functie van medewerker verkoop zonder vaste standplaats op 6 februari 2014. Werknemer meldt zich op 27 november 2013 ziek met beperkingen in zijn persoonlijk en sociaal functioneren, zowel privé- als werkgerelateerd. In het kader van zijn re-integratie is hij belast met een deeltaak, namelijk kassawerkzaamheden in de vestiging [X.]. Vanaf 30 juni 2015 werkt hij in deze deeltaak weer voor gemiddeld 21 uren per week. Zijn loon blijft ongewijzigd. Bij besluit van 11 november 2015 stelt UWV vast dat appellante niet voldoende heeft gedaan om werknemer te re-integreren en bepaalt zij dat appellante aan werknemer het loon moet doorbetalen tot 24 november 2016. Aan dit besluit ligt een rapport ten grondslag van een arbeidsdeskundige van 9 november 2015, waarin is geconcludeerd dat appellante de tekortkoming in haar re-integratieverplichting kan herstellen door werknemer alsnog hersteld te melden voor zijn maatgevende functie. UWV verklaart het door appellante ingestelde bezwaar ongegrond. In beroep oordeelt de rechtbank dat appellante geen procesbelang heeft.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat in een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar voldoende procesbelang is gelegen, omdat voor toewijzing van dat verzoek is vereist dat het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1146). De rechtbank heeft het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit beoordelen.
UWV heeft met de verwijzing in het verweerschrift in beroep naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 juni 2016 erkend dat hersteld melden van een werknemer geen re-integratieactiviteit is en niet hersteld melden op zichzelf geen aanleiding is voor een loonsanctie. Dat betekent dat de rechtmatigheid van de aan appellante opgelegde loonsanctie wordt bepaald door het antwoord op de vraag of UWV appellante terecht heeft verweten dat zij de functie van medewerker kassa niet structureel aan werknemer aanbiedt. Het is vaste rechtspraak dat uit het belastende karakter van een loonsanctiesanctiebesluit volgt dat UWV de gestelde tekortkoming van de werkgever aannemelijk moet maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:861). De herhaalde uitlating van appellante dat zij wat in haar ogen passende arbeid is (namelijk de kassawerkzaamheden) niet wil benoemen als nieuw bedongen arbeid is op zich geen voldoende aanwijzing dat werknemer na afloop van de loondoorbetalingsperiode niet in staat gesteld zou worden om de kassawerkzaamheden voort te zetten. Duidelijke aanwijzingen ontbreken dat de werkhervatting van werknemer geen structureel karakter heeft in die zin dat de werkhervatting niet voorkomt dat hij een beroep moet doen op de Wet WIA of anderszins na korte tijd aanspraak zou moeten maken op een socialeverzekeringsuitkering. UWV heeft de gestelde tekortkoming niet aannemelijk gemaakt. Dat betekent dat voor het opleggen van de loonsanctie aan appellante onvoldoende grond was. Het hoger beroep slaagt. De raad voorziet zelf in de zaak door het besluit te herroepen en veroordeelt UWV in de proceskosten.