Rechtspraak
Appellante verricht van 1 september 2014 tot en met 9 maart 2015 als zorgverlener werkzaamheden voor haar moeder. Deze werkzaamheden zijn gestopt vanwege het overlijden van haar moeder in 2015. Appellante vraagt vervolgens een WW-uitkering aan, die door UWV wordt geweigerd vanwege het niet voldoen aan de referte-eis. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. In geschil is uitsluitend de vraag of sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en haar moeder. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld, en inmiddels vaste rechtspraak is, betekent het bestaan van een familierelatie niet dat in zijn algemeenheid geen sprake is van een gezagsverhouding. Ook in die situatie dient het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding beoordeeld te worden met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat daarbij betrokken dient te worden. Uit de toelichting van appellante ter zitting is aannemelijk geworden dat de moeder van appellante als werkgever aanwijzingen gaf aan appellante met betrekking tot de momenten waarop zij verzorgd wilde worden en de wijze waarop dit moest worden gedaan. Ook besprak de moeder van appellante met haar hoe het dagprogramma eruit moest zien. Tot op het laatst was zij goed in staat haar wensen kenbaar te maken en aanwijzingen met betrekking tot de verzorging te geven. Appellante deed vervolgens haar werkzaamheden conform de aanwijzingen en instructies van haar moeder. Mede op grond hiervan wordt geoordeeld dat tussen appellante en haar moeder sprake was van een gezagsverhouding. Dit betekent dat appellante haar werk als zorgverlener voor haar moeder in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht en als werknemer in de zin van artikel 3 lid 1 WW diende te worden aangemerkt. Het hoger beroep slaagt.