Naar boven ↑

Rechtspraak

Afgewezen aanvraag faillissementsuitkering wegens overgang van onderneming.

Appellant treedt per 14 januari 2014 in dienst bij Bedrijf A als leerling-stukadoor. Deze arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege per 19 december 2014. Per 5 januari 2015 sluit appellant een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 18 december 2015) met Bedrijf A. Op 28 november 2014 zijn vrijwel alle activa van Bedrijf A overgedragen aan Holding 1. De naam Bedrijf A is per 25 april 2015 gewijzigd in Naam BV. De bestuurder van Holding 1 is dezelfde persoon als de enig aandeelhouder van Bedrijf A . Bedrijf A , Holding 1 en twee werkmaatschappijen van Holding 1 waren destijds alle op hetzelfde adres gevestigd. Bij uitspraak van 16 juni 2015 wordt Naam BV failliet verklaard. De arbeidsovereenkomst met appellant wordt opgezegd. Appellant sluit op 20 juni 2015 een arbeidsovereenkomst met werkmaatschappij 2. Appellant verzoekt UWV om de betalingsverplichting van Naam BV wegens betalingsonmacht over te nemen (faillissementsuitkering). UWV stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een overgang van onderneming van Naam BV naar Holding 1. Om die reden zijn alle rechten en plichten overgegaan op Holding 1. UWV wijst de aanvraag af.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In hoger beroep ligt ter beoordeling voor of UWV appellant op goede gronden een faillissementsuitkering heeft geweigerd op de grond dat sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat UWV voldoende heeft onderbouwd dat de onderneming Bedrijf A (waarvan de naam later is gewijzigd in Naam BV) op 28 november 2014 is overgegaan naar de Holding 1. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in overweging 3.1 van de aangevallen uitspraak, worden onderschreven. Hieraan wordt nog toegevoegd dat voor dit oordeel ook van belang is dat de herkenbare activiteiten van Bedrijf A zonder onderbreking zijn voortgezet door Holding 1. Dat Holding 1 daarnaast meer of andere werkzaamheden uitvoerde, is niet relevant. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Uit het oordeel dat per 28 november 2014 sprake is geweest van een overgang van de onderneming bedrijf A naar de Holding 1, volgt dat op grond van artikel 7:663 BW de aanspraken van appellant op grond van zijn arbeidsovereenkomst met bedrijf A zijn overgegaan op Holding 1. Voor een toewijzing van het verzoek van appellant om een faillissementsuitkering diende daarom Holding 1 ten tijde van die aanvraag te verkeren in de toestand van blijvende betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61 WW. Appellant heeft niet aangetoond dat daarvan sprake was. Gelet hierop heeft UWV terecht de aanvraag om een faillissementsuitkering afgewezen.