Rechtspraak
Appellant is van 1 januari 2011 tot 28 februari 2013 werkzaam bij BV. Met ingang van 1 maart 2013 ontvangt appellant een ouderdomspensioen (ook wel: prepensioen) dat hij ontleende aan zijn dienstverband bij BV. In juni 2013 is hij in dienst getreden bij de Instantie. Het dienstverband van appellant bij de Instantie eindigt op 20 juni 2016. Hierop vraagt appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan. UWV kent de uitkering toe en brengt het bedrag aan prepensioen in mindering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit wordt ongegrond verklaard. Ook in beroep heeft appellant geen succes. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de pensioenuitkering die appellant ontvangt, is aan te merken als inkomen in verband met arbeid in de zin van artikel 3:5 van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Evenmin is in geschil dat de in artikel 3:5 van het AIB geformuleerde uitzonderingen, waaronder ook het zevende lid van dit artikel, niet op de situatie van appellant van toepassing zijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of UWV gehouden is te anticiperen op een aanstaande wijziging van artikel 3:5, zevende lid, van het AIB. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat duidelijk is dat de materiële wetgever voornemens is de regelgeving op een later moment aan te passen, niet maakt dat de rechtbank ruimte toekomt om op de aanstaande wijziging te anticiperen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De bedoelde wijziging van artikel 3:5, zevende lid, van het AIB en de toevoeging van het achtste lid zijn per 1 mei 2018 in werking getreden (Stb. 2018, 121). Aan deze regeling is geen terugwerkende kracht toegekend. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3098) heeft in het algemeen te gelden dat het aan de materiële wetgever is voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en moet de rechter het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige gebreken kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Gegeven de vaste rechtspraak en mede gelet op de omstandigheid dat sprake is van een aanvullende uitzondering op de hoofdregel en in aanmerking genomen de gevolgen van inwerkingtreding daarvan voor de uitvoeringspraktijk, komt de besluitgever bij het bepalen van de datum van inwerkingtreding van de bedoelde wijziging van regelgeving een ruime beslissingsruimte toe. Uit de hiervoor weergegeven passages blijkt onder meer dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat de materiële wetgever de datum van inwerkingtreding uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien. Daarbij is inwerkingtreding op een korte termijn overwogen, maar de niet-uitvoerbaarheid van een eerdere invoering in verband met de bij UWV beschikbare capaciteit heeft ertoe geleid dat welbewust is gekozen voor een inwerkingtreding in de toekomst. De regering is op dat punt door het parlement niet gecorrigeerd of opgeroepen tot een andere benadering. Er is geen grond om te oordelen dat de materiële wetgever niet in redelijkheid tot het besluit tot latere inwerkingtreding heeft kunnen besluiten. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.