Rechtspraak
Appellant is vanaf 14 augustus 1972 werkzaam bij werkgeefster als magazijn- en productiemedewerker. Per 1 oktober 2013 is het dienstverband door werkgeefster beëindigd vanwege bedrijfseconomische redenen. Tot die datum is aan appellant loon en vakantiegeld betaald. Appellant vordert een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag van werkgeefster. Bij vonnis van 24 september 2014 wijst de rechtbank deze vordering af. In de daaropvolgende appelprocedure komen appellant en werkgeefster op 8 juli 2015 tot een schikking, waarbij werkgeefster aan appellant een schadevergoeding betaalt van € 25.000 uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag per 1 oktober 2013. De in maandelijkse termijnen van € 1000 te betalen schadevergoeding wordt door de werkgeefster betaald tot en met april 2016. Op 3 juni 2016 wordt werkgeefster failliet verklaard. Van de schadevergoeding is een bedrag van € 6.000 onbetaald gebleven. Appellant dient een vordering in bij de curator en verzoekt de betalingsverplichtingen over te nemen op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet. De tussen appellant en werkgeefster overeengekomen schadevergoeding komt volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze pas opeisbaar is na het einde van het dienstverband. Appellant maakt bezwaar tegen dat besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellant stelt dat de schadevergoeding kan worden toegerekend aan een periode genoemd in artikel 64, eerste lid, van de WW. Zoals de rechtbank echter met juistheid en verwijzend naar vaste rechtspraak van de Raad heeft geoordeeld, dient een vergoeding die ontstaat bij de beëindiging van een dienstverband naar haar aard te worden toegerekend aan de periode gelegen na het einde van de dienstbetrekking. Anders dan appellant heeft betoogd, ontstond er voor hem geen recht op een schadevergoeding voor het einde van het dienstverband, louter door het bestaan van de arbeidsovereenkomst, op een wijze die overeenkomt met de opbouw aan vakantiegeld en vakantie. Ter zitting is gebleken dat met de werkgeefster overeengekomen vergoeding niet is aangewend voor de opbouw of aankoop van een pensioen. Anders dan door appellant gesteld, is daarom artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW niet van toepassing. De daarop betrekking hebbende grond slaagt dan ook niet. Ook is deze wetgeving niet in strijd met de Insolventierichtlijn. Anders dan door appellant is betoogd, volgt uit artikel 3 van de Insolventierichtlijn niet dat de nationale wetgever gehouden is de betaling van vergoedingen wegens het beëindigen van de arbeidsverhouding onder de bescherming van het waarborgfonds te brengen. Zie daarvoor het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 2006, C-81/05, Cordero Alonso, ECLI:EU:C:2006:529, r.o. 31 en HvJ 17 januari 2008, C-246/06, Velasco Navarro, ECLI:EU:C:2008:19. Het hoger beroep slaagt niet.