Rechtspraak
Appellant is sinds 1 februari 1976 werkzaam bij werkgever X. In verband met een reorganisatie kent werkgever X appellant met ingang van 1 januari 2005 de status van herplaatsingskandidaat toe. Op 1 juni 2006 sluiten appellant en het college een vaststellingsovereenkomst (vso 1). Daarin wordt onder andere vastgelegd dat het college afziet van reorganisatie-ontslag, dat appellant tot uiterlijk 1 april 2018, bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, wordt vrijgesteld van zijn werkzaamheden en dat de inkomsten uit andere arbeid gedeeltelijk verrekend zouden worden. Per 1 januari 2007 wordt werkgever X verzelfstandigd en zijn de medewerkers van werkgever X met de status van herplaatsingskandidaat in dienst gebleven van de gemeente Rotterdam. Kort na het sluiten van vso 1 verzoekt appellant om aanpassing daarvan. Dat heeft geleid tot een nieuwe vaststellingsovereenkomst (vso 2). In vso 2 is in artikel 5 vastgelegd dat het college ‘nu en in de toekomst’ afziet van ontslag op grond van artikel 89 van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR), dat appellant tot uiterlijk 1 april 2016 wordt vrijgesteld van zijn werkzaamheden, dat appellant ‘bij het bereiken van de leeftijd van 63 jaar, d.w.z. met ingang van 1 april 2016, vrijwillig en volledig met ontslag – te zijner keuze hetzij ontslag op verzoek, hetzij keuze-ouderdomspensioen – (zal) gaan’ en dat inkomsten in verband met arbeid of bedrijf vanaf 1 januari 2007 niet met de bezoldiging zullen worden verrekend. Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting. Bij besluit van 18 februari 2016 verleent het college, onder verwijzing naar artikel 5 van vso 2, aan appellant op zijn verzoek met ingang van 1 april 2016 eervol ontslag. Appellant stelt daartegen zonder succes bezwaar, beroep en hoger beroep in. Appellant vraagt op 9 maart 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan. Bij besluit van 18 maart 2016 stelt UWV vast dat appellant per 1 april 2016 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet wordt uitbetaald omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ter beoordeling ligt de vraag voor of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW doordat de dienstbetrekking is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake was van een ontslag op eigen verzoek maar van een gedwongen ontslag in die zin dat hem – zoals appellant ter zitting nader heeft toegelicht – geen andere keus werd geboden dan in te stemmen met beëindiging van het dienstverband door het ondertekenen van vso 2. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.