Naar boven ↑

Rechtspraak

Bestaan van arbeidsovereenkomst niet aannemelijk gemaakt door overgelegde (niet als arbeidsovereenkomst aangeduide) overeenkomst, zodat appellant geen werknemer is in de zin van de WW en de WW-uitkering terecht is geweigerd.

Appellant vraagt op 23 oktober 2016 een WW-uitkering aan. UWV weigert bij besluit van 9 november 2016 de WW-uitkering toe te kennen tot en met 1 juli 2017, omdat een door hem ontvangen schadevergoeding geldt als loon over de tot en met 1 juli 2017 lopende opzegtermijn. Na bezwaar van appellant stuurt UWV appellant op 24 november 2016 een voornemen tot wijziging van het besluit van 9 november 2016. Daarbij wordt kenbaar gemaakt dat aan de weigering van de WW-uitkering ten grondslag zal worden gelegd dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst, zodat hij geen werknemer is in de zin van de WW. Het bezwaar en beroep van appellant zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep overweegt als volgt. Aan de orde is de vraag of appellant kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Op grond van artikel 3 WW is hiertoe vereist dat appellant een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gehad in de zin van artikel 7:610 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant arbeid heeft verricht. In hoger beroep is in geschil of het betreffende bedrijf verplicht was loon te betalen en of appellant zijn werkzaamheden onder gezag van dit bedrijf heeft verricht. Appellant heeft erkend dat geen sprake is van een schriftelijke, als arbeidsovereenkomst aangeduide, overeenkomst. Met de door hem overgelegde overeenkomst die door appellant wordt aangeduid als arbeidsovereenkomst, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij en het bedrijf in kwestie hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten. Ook de feitelijke invulling van de tussen appellant en het bedrijf gesloten overeenkomst duidt niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, nu van het bestaan van een gezagsverhouding niet is gebleken. UWV heeft dan ook terecht vastgesteld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De vraag of sprake was van een verplichting om aan appellant loon te betalen kan daarom onbesproken blijven. Het hoger beroep faalt.