Naar boven ↑

Rechtspraak

Overneming betalingsverplichting failliete werkgever. Billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever komt niet voor overneming in aanmerking. Vordering pas opeisbaar na einde dienstverband.

Appellante was in dienst van de werkgever. Bij beschikking van 12 mei 2017 ontbindt de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op verzoek van (onder meer) appellante de arbeidsovereenkomst tussen appellante en de werkgever met ingang van 15 mei 2017 en kent daarbij aan appellante wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever een billijke vergoeding ex artikel 7:671c, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek toe. De werkgever wordt op 16 mei 2017 in staat van faillissement verklaard. Op 28 mei 2017 dient appellante bij UWV een aanvraag in tot overname van de betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht van de werkgever. UWV kent de uitkering toe, maar besluit dat de vordering betreffende de billijke vergoeding niet van de werkgever wordt overgenomen. De billijke vergoeding is immers niet toe te rekenen aan een van de periodes genoemd in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW. Volgens appellante kan de billijke vergoeding wel worden aangemerkt als loon dat betrekking heeft op gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens het dienstverband als bedoeld in artikel 64 van de WW, omdat deze vergoeding is toegekend voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever tijdens het dienstverband. Het bezwaar en beroep tegen het besluit worden afgewezen.

De Centrale Raad van Beroep overweegt als volgt. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of UWV terecht heeft besloten de billijke vergoeding niet met toepassing van hoofdstuk IV van de WW van de werkgever over te nemen bij het vaststellen van de faillissementsuitkering, omdat deze niet aan de a-periode kan worden toegerekend. De a-periode omvat het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt. Met UWV wordt geoordeeld dat de billijke vergoeding niet voor overneming in aanmerking komt. De door de kantonrechter toegekende billijke vergoeding moet door de werkgever aan appellante worden betaald op grond van de beschikking van de kantonrechter. De vordering is eerst met de beschikking van de kantonrechter ontstaan. Anders dan appellante heeft betoogd, is deze vordering, gelet op het dictum van de beschikking, (eerst) drie dagen na de datum van de beschikking, dus vanaf 15 mei 2017, opeisbaar en was dat voor de ontbindingsdatum nog niet het geval. Hierbij wordt aangesloten bij de uitspraak van de Raad van 22 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1874, r.o. 4.2, en de uitspraak van de Raad van 18 januari 2006, ECLI:NL:2006:AV3578, r.o. 5.3.1, die betrekking hebben op respectievelijk een schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag en een ontbindingsvergoeding. Deze vergoedingen hebben met de billijke vergoeding, die in deze zaak aan de orde is, gemeen dat zij betrekking hebben op het einde van het dienstverband en de periode die daarop volgt. Dat de hoogte van de betreffende vergoedingen mede wordt bepaald door wat in de periode voorafgaand aan het einde van het dienstverband is voorgevallen, maakt dat niet anders.