Rechtspraak
Appellant is van 22 april 2016 tot 18 oktober 2016 als uitzendkracht werkzaam als hovenier. Van 1 november 2016 tot 8 november 2016 heeft appellant als uitzendkracht voor een andere inlener gewerkt als medewerker groenvoorziening (boomverzorger). Nadat appellant zich op 9 november 2016 met lichamelijke klachten heeft ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als medewerker groenvoorziening heeft UWV ingaande 9 november 2016 ziekengeld aan appellant toegekend. Op 21 december 2016 bezoekt appellant het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze arts merkt de laatstelijk door appellant verrichte arbeid van medewerker groenvoorziening, waarbij takken van bomen gesnoeid en versnipperd moesten worden, aan als een mislukte werkhervatting in te zwaar werk. Om die reden merkt de verzekeringsarts de arbeid van hovenier, die appellant van 22 april 2016 tot 18 oktober 2016 heeft verricht, als maatgevende arbeid aan en acht appellant per 22 december 2016 geschikt voor die arbeid. Vervolgens stelt UWV bij besluit van 21 december 2016 vast dat appellant per 22 december 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In deze zaak dient allereerst beoordeeld te worden welke arbeid als maatstaf geldt voor de beoordeling van het recht op ziekengeld van appellant. Over het standpunt van UWV dat sprake is van een mislukte werkhervatting en om die reden de laatst verrichte arbeid niet de maatstaf arbeid is, overweegt de Raad als volgt. In het vervallen van artikel 44 van de ZW per 1 januari 2011 ziet de Raad aanleiding de vaste rechtspraak inzake de zogeheten ‘mislukte werkhervatting’ als volgt te heroverwegen. De overwegingen van de wetgever in het kader van het vervallen van artikel 44 ZW zijn voor de Raad aanleiding om niet langer vast te houden aan zijn rechtspraak dat ongeschiktheid bij indiensttreding, indien die zou worden vastgesteld, met zich brengt dat het laatstelijk voor uitval verrichte – ongeschikte – werk niet als maatstaf arbeid in de zin van de ZW kan gelden. Hoewel specifiek betrekking hebbend op de destijds in artikel 44 van de ZW neergelegde bevoegdheid tot het weigeren van ziekengeld wegens bij aanvang verzekering reeds bestaande of te verwachten ongeschiktheid tot werken, geven de in de uitspraak opgenomen overwegingen van de wetgever uitdrukking aan een veranderde opvatting, waarbij in het kader van werkaanvaarding de nadruk dient te liggen op iemands mogelijkheden tot werken en waarbij een werknemer er uit een oogpunt van rechtszekerheid bij indiensttreding van uit mag gaan dat het risico van ongeschiktheid voor de aanvaarde arbeid in het kader van de ZW is verzekerd. Bij dit gewijzigde inzicht van de wetgever past niet dat de voor de uitval door een verzekerde feitelijk verrichte arbeid niet langer als maatstaf geldt voor de vaststelling van diens ZW-aanspraken, indien na die uitval – dus achteraf – wordt vastgesteld dat bij indiensttreding al sprake was van ongeschiktheid voor de aanvaarde arbeid. Het standpunt van UWV dat de arbeid van medewerker groenvoorziening als een mislukte werkhervatting beschouwd dient te worden en die arbeid om die reden niet als maatstaf aangemerkt kan worden, slaagt dus niet.