Rechtspraak
Appellante is in het verleden werkzaam geweest voor het college. Na een reorganisatie is een arbeidsconflict ontstaan en is appellante in 2009, na een periode van arbeidsongeschiktheid en schorsing, ontslagen. In verband hiermee heeft zij bij UWV een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. UWV weigert de WW-uitkering blijvend geheel vanwege verwijtbare werkloosheid. In het besluit op bezwaar komt UWV op deze beslissing terug: appellante wordt alsnog in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Het college stelt beroep in. De rechtbank Groningen heeft in haar uitspraak van 6 juli 2011 (zaaknummer AWB 10/518 WW) overwogen dat appellante zich in de periode ten tijde hier van belang arbeidsongeschikt achtte en zich om die reden niet in staat achtte om te solliciteren. Anders dan UWV was de rechtbank van oordeel dat uit appellantes houding en gedragingen voldoende naar voren is gekomen dat zij zich van meet af aan niet beschikbaar heeft gesteld noch heeft willen stellen voor de arbeidsmarkt. Daarom is niet voldaan aan het werkloosheidsvereiste als neergelegd in de artikelen 15 en 16 van de WW en is er geen recht op uitkering ontstaan. UWV heeft derhalve ten onrechte een WW-uitkering toegekend. Bij verzoekschrift van 19 september 2016 heeft appellante de rechtbank verzocht om herziening van de uitspraak van 6 juli 2011, omdat met terugwerkende kracht moet worden geconstateerd dat er een gegronde reden was voor het niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Appellante wijst op het besluit van UWV om haar in aanmerking te brengen voor een IVA-uitkering. De eerste ziektedag is bepaald op 21 september 2009, zodat appellante op 19 september 2011 de wachttijd van 104 weken had bereikt. UWV heeft geen aanleiding gezien om de IVA-uitkering eerder te laten ingaan dan een jaar voor de aanvraagdatum 18 juni 2015. Volgens appellante betreft de vaststelling door UWV dat zij vanaf 21 september 2009 ziek was een (nieuw) feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien de rechtbank voor de uitspraak van 6 juli 2011 bekend zou zijn geweest met haar ziekte, had dit tot een andere uitspraak geleid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en (c) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Het oordeel van de rechtbank dat, indien ten tijde van de uitspraak van 6 juli 2011 bekend was geweest dat appellante vanaf 21 september 2009 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was ten gevolge van een ernstige psychiatrische stoornis, dit niet tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden, wordt onderschreven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad geeft het begrip ‘beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden’ in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Zoals het college terecht heeft opgemerkt maakt het niet uit of appellante destijds niet beschikbaar was voor het aanvaarden van arbeid door haar houding en gedrag of vanwege arbeidsongeschiktheid. Feit blijft dat zij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt en dat om die reden, gelet op voormeld artikel, geen recht is ontstaan op een WW-uitkering. Verwezen wordt naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 27 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4497. Het hoger beroep slaagt niet.