Rechtspraak
Appellante ondertekent op 24 januari 2000 een arbeidsovereenkomst om per 11 januari 2000 arbeid te verrichten bij een bedrijf. Dit bedrijf wordt in 2005 failliet verklaard. Op 27 december 2005 wordt BV 1 opgericht, waar appellante van 27 december 2005 tot 13 december 2010 enig aandeelhouder is en van 27 december 2005 tot 1 december 2010 bestuurder is. Op 23 juli 2013 wordt BV 1 failliet verklaard. Op 16 juli 2012 wordt BV 2 opgericht, waar appellante vanaf de oprichtingsdatum enig aandeelhouder en bestuurder is. Op 12 juli 2016 draagt appellante haar aandelen over aan haar zoon, maar zij blijft bestuurder. Op 10 januari 2017 wordt ook BV2 failliet verklaard. Op 16 januari 2017 zegt de curator het dienstverband van appellante tegen 27 februari 2017 op. Appellante vraagt vervolgens een faillissementsuitkering aan bij UWV. UWV weigert deze uitkering, omdat appellante volgens UWV niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt en aldus niet verzekerd is. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Aan de orde is de vraag of appellante moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en aldus aanspraak kan maken op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat zij haar arbeid heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. Er zijn geen stukken waaruit dit kan worden afgeleid en ook voor het overige blijkt niet dat partijen het eens zijn geworden over essentiële elementen, zoals de verplichting tot het verrichten van arbeid en de verplichting tot betaling van loon. Dat appellante loon heeft ontvangen en dat er pensioen is afgedragen, is onvoldoende om vast te stellen dat er ook een verplichting tot het betalen van loon heeft bestaan. Er zijn volgens de rechtbank ook geen aanknopingspunten om appellante te volgen in haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst uit 2000 steeds is voortgezet. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft appellante naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat zij en BV 2 op enig moment bedoeld hebben met elkaar een arbeidsovereenkomst te sluiten en ook niet dat zij zich ten opzichte van elkaar hebben gedragen op een wijze waarop een werkgever en werknemer aan elkaar verbonden zijn. Er is dan ook geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het hoger beroep faalt.