Rechtspraak
UWV brengt appellante per 8 juli 2016 in aanmerking voor een WW-uitkering. Vanuit die situatie meldt zij zich op 11 november 2016 ziek. Van 10 februari 2017 tot 21 juni 2017 ontvangt appellante een ZW-uitkering. De ZW-uitkering wordt per 21 juni 2017 beëindigd omdat appellante per deze datum weer arbeidsgeschikt is, waarna bij besluit van 2 juni 2017 de WW-uitkering van appellante per 21 juni 2017 wordt voortgezet. Bij besluit van 25 augustus 2017 trekt UWV de WW-uitkering van appellante per 22 augustus 2017 in, omdat appellante sinds deze datum in het buitenland verblijft. In haar bezwaar tegen dit besluit stelt appellante dat zij met toestemming van UWV naar het buitenland (Hongarije) is verhuisd zodat de WW-uitkering volgens haar ten onrechte is beëindigd. Op 5 september 2017 meldt appellante zich ziek. Bij besluit van 18 september 2017 weigert UWV appellante per 5 september 2017 een ZW-uitkering omdat zij niet verzekerd is voor de ZW. Ook tegen dit besluit maakt appellante bezwaar. Bij besluit van 18 oktober 2017 trekt UWV het besluit waarbij de WW-uitkering per 21 juni 2017 is voortgezet in, omdat appellante vanaf 31 mei 2017 niet meer in Nederland verblijft of ingeschreven is. UWV trekt daarom ook het besluit van 25 augustus 2017 in en bepaalt dat aan appellante over de periode van 21 juni 2017 tot en met 21 augustus 2017 ten onrechte een WW-uitkering is betaald. Het bezwaar en beroep tegen beide besluiten zijn ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ter beoordeling ligt voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat UWV op goede gronden de WW-uitkering van appellante heeft ingetrokken op de grond dat zij vanaf 31 mei 2017 buiten Nederland verblijft anders dan wegens vakantie. Daarnaast ligt ter beoordeling voor of UWV op goede gronden heeft geweigerd appellante een ZW-uitkering toe te kennen op de grond dat zij op deze datum niet verzekerd is voor de ZW. De Raad stelt vast dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 55 lid 1 Vo 987/2009. Hieruit volgt immers dat appellante UWV vóór haar vertrek naar Hongarije hiervan in kennis had moeten stellen en UWV had moeten verzoeken om een document waaruit blijkt dat zij het recht op WW-uitkering behoudt onder de daarvoor gestelde voorwaarden, het zogenoemde U2-formulier. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij aan deze voorwaarden heeft voldaan. De Raad oordeelt dan ook dat UWV de WW-uitkering van appellante terecht heeft ingetrokken. Aangezien UWV de WW-uitkering van appellante terecht heeft ingetrokken per 21 juni 2017, is appellante vanaf deze datum niet meer verzekerd voor de ZW. De ziekmelding van 5 september 2017 valt buiten de periode van vier weken na 21 juni 2017, zodat appellante op grond van dit artikel 46 lid 2 ZW geen aanspraak kan maken op een ZW-uitkering. Dit betekent dat UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat zij niet verzekerd was op de dag van de ziekmelding. Het hoger beroep faalt.