Naar boven ↑

Rechtspraak

Prepensioen dat voortvloeit uit dezelfde dienstbetrekking als waaruit de werkloosheid is ontstaan, moet in mindering worden gebracht op de WW-uitkering. Uitzonderingsbepalingen zijn niet van toepassing. Ook geen reden om prepensioen met factor C/D te vermenigvuldigen.

Appellante is van 1984 tot en met 31 maart 2016 werkzaam bij IBM Nederland B.V. Uit die dienstbetrekking ontvangt zij per 1 april 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het dagloon van appellante is daarbij hoger vastgesteld dan het maximumdagloon, zodat UWV voor de hoogte van de uitkering uitgaat van het maximumdagloon. Appellante ontvangt vanaf 1 april 2016 (pre)pensioeninkomsten van Stichting Pensioenfonds IBM Nederland. UWV vermeldt dat de pensioeninkomsten op de WW-uitkering in mindering worden gebracht. Aan dit besluit geeft UWV echter niet onmiddellijk uitvoering. Bij besluit van 16 juni 2017 bepaalt UWV dat het bedrag van het prepensioen van appellante vanaf 1 april 2017 iedere maand wordt afgetrokken van haar WW-uitkering. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. Appellante heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 3:5, vijfde of zevende lid, van het AIB. Subsidiair heeft appellante gesteld dat UWV het prepensioen niet op juiste wijze heeft verrekend.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het prepensioen, dat appellante vanaf 1 april 2016 ontvangt, is een uitkering als bedoeld in artikel 3:5 van het AIB. Appellante ontving dit prepensioen vanuit de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan. Het prepensioen moet daarom op de WW-uitkering in mindering worden gebracht. Dat zou anders zijn als het prepensioen moet wordt gerekend tot de uitzonderingen, bedoeld in artikel 3:5, vijfde dan wel zevende lid, van het AIB. Nu het hier gaat om uitzonderingen op de hoofdregel dienen deze bepalingen restrictief te worden uitgelegd (zie de uitspraken van de Raad van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3504 en van 27 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:628). Deze uitzonderingsbepalingen zijn alleen van toepassing als het prepensioen samenhangt met dezelfde (resterende) dienstbetrekking als waaruit de werknemer werkloos is geworden (zie de uitspraken van de Raad van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2863 en van 21 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:558). Aan dat vereiste wordt hier niet voldaan. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij voorafgaande aan het einde van haar dienstbetrekking feitelijk al een tijd geen werkzaamheden meer voor IBM verrichtte, maar dat zij gedurende die periode nog gewoon haar salaris kreeg. Verder staat vast dat appellante naast haar dienstbetrekking bij IBM geen andere dienstbetrekking had waaraan zij het prepensioen ontleent. UWV heeft daarom terecht het prepensioen met toepassing van artikel 3:5, eerste lid, van het AIB in mindering gebracht op de WW-uitkering van appellante. Anders dan appellante betoogt, bestaat geen aanleiding om de inkomsten uit het prepensioen overeenkomstig de factor C/D uit artikel 47, eerste lid, van de WW te verlagen. Uit de tekst van artikel 47, eerste lid, van de WW volgt dat inkomsten – de factor E uit de formule – volledig in mindering moeten worden gebracht ongeacht of sprake is van een gemaximeerd dagloon. Het hoger beroep slaagt niet.