Naar boven ↑

Rechtspraak

Gelet op overweging kantonrechter in de ontbindingsbeschikking kan het appellant slechts in beperkte mate worden aangerekend dat hij de re-integratieverplichting niet is nagekomen.

Appellant is werkzaam bij Werkgeefster. Werkgeefster is als overheidswerkgeefster op grond van artikel 72a van de Werkloosheidswet (WW) verantwoordelijk voor de re-integratie van werkloze ex-werknemers. Bij beschikking van 10 mei 2017 ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen werkgeefster en appellant met ingang van 1 juli 2017. In de procedure bij de kantonrechter verzoekt appellant om de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij een onpartijdige derde (het UWV) neer te leggen. De kantonrechter heeft over dat verzoek in de beschikking overwogen: ‘De verantwoordelijkheid voor re-integratie wordt, bij het einde van de arbeidsovereenkomst bij de werkgever weggenomen zodat [appellant's] verzoek daaromtrent geen beoordeling behoeft.’

Op 19 mei 2017 meldt werkgeefster appellant aan bij het re-integratiebedrijf PROambt Mobiliteit (PROambt) aangemeld. PROambt doet meerdere pogingen om contact te zoeken met appellant maar slaagt daar niet in. UWV brengt appellant bij besluit van 4 juli 2017 met ingang van 3 juli 2017 in aanmerking voor een uitkering op grond van de WW en vermeldt daarin onder meer dat werkgeefster als eigenrisicodrager voor de WW verantwoordelijk is voor zijn re-integratie. Nadat appellant aan een laatste waarschuwing van werkgeefster geen gehoor heeft gegeven, maakt PROambt op 6 juli 2017 aan de hand van een formulier aan UWV een melding van verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject (melding). UWV besluit om appellant geen maatregel op te leggen (besluit van 15 augustus 2017). UWV verklaart het bezwaar tegen dit besluit in eerste instantie ongegrond, maar komt daar hangende het beroep op terug. Bij wijze van maatregel wordt de aan appellant toegekende WW-uitkering per direct verlaagd met 25% gedurende vier maanden. Werkgeefster trekt het beroep in. Appellant stelt beroep in en verzoekt om schadevergoeding. De rechtbank wijst het beroep af. Appellant voert in hoger beroep – samengevat – aan dat hij niet hoefde mee te werken aan de re-integratie omdat door de beschikking van de kantonrechter de re-integratie bij het einde van de arbeidsovereenkomst is weggenomen bij werkgeefster.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In geschil is of en in welke mate appellant het niet nakomen van de verplichting kan worden verweten. De kantonrechter heeft weliswaar in de beschikking overwogen dat het verzoek van appellant geen beoordeling behoeft omdat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij het einde van de arbeidsovereenkomst bij werkgeefster wordt weggenomen, maar dat laat onverlet dat appellant na die beschikking er in het toekenningsbesluit van de WW-uitkering door UWV op is gewezen dat werkgeefster als eigenrisicodrager verantwoordelijk is voor zijn re-integratie. Gelet op deze tegenstrijdige informatie had het op de weg van appellant gelegen om na ontvangst van het besluit van 4 juli 2017 en nadat door werkgeefster en PROambt meerdere malen was getracht contact met hem te leggen, PROambt en het UWV om opheldering te vragen over de vraag wie nu verantwoordelijk was voor zijn re-integratie dan wel om het aan werkgeefster of PROambt duidelijk te maken dat hij meende dat hij niet hoefde mee te werken aan de re-integratie. In het licht van wat de kantonrechter in zijn beschikking heeft overwogen, is evenwel niet onbegrijpelijk dat bij appellant verwarring is ontstaan over het al dan niet hoeven meewerken aan re‑integratie geïnitieerd door werkgeefster. In deze omstandigheden kan het appellant slechts in beperkte mate worden aangerekend dat hij de re-integratieverplichting niet is nagekomen. Dit levert grond op om de hoogte van de door UWV opgelegde maatregel te matigen.