Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen bevredigend resultaat van re-integratie: loonsanctie terecht niet verkort.

Werknemer is in dienst van appellante voor gemiddeld 59,06 uur per week. In december 2014 valt werknemer als gevolg van een hersenbloeding uit voor zijn werkzaamheden. In februari 2015 start werknemer bij een ander bedrijf (met dezelfde eigenaar als appellante) met administratief ondersteunende werkzaamheden. Vanaf 1 augustus 2015 verricht werknemer deze werkzaamheden fulltime. Daarnaast zijn geen andere re-integratieactiviteiten ontplooid. Werknemer vraagt in oktober 2016 een WIA-uitkering aan. Een arbeidsdeskundige heeft de re-integratie-inspanningen van appellante beoordeeld en onvoldoende geacht, nu appellante de loonwaarde van de nieuwe functie van werknemer niet heeft vastgesteld, waardoor niet kon worden beoordeeld of sprake was van een bevredigend resultaat van de re-integratie. Bij besluit van 8 december 2016 is appellante daarom een loonsanctie opgelegd. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Nadat appellante aan werknemer een dienstverband voor een jaar had aangeboden als agrarisch medewerker met een loonwaarde van € 1.500 per vier weken, heeft appellante verzocht om verkorting van de loonsanctie. Bij besluit van 2 januari 2017 heeft UWV geweigerd om de loonsanctie te verkorten, omdat werknemer in zijn nieuwe functie slechts 54% verdiende van wat hij in zijn oude functie verdiende. Dat betekent dat geen sprake is van een bevredigend resultaat van de re-integratie, omdat werknemer niet ten minste 65% verdiende van zijn vorige verdiensten. Volgens de arbeidsdeskundige had appellante zich meer moeten inspannen door via een adequaat tweedespoortraject te trachten de verdiencapaciteit van werknemer te vergroten. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De rechtbank heeft gemotiveerd dat naar haar oordeel geen sprake is van een bevredigend resultaat van de re-integratie, omdat werknemer niet werkzaam was in arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het loon dat hij voor zijn ziekte verdiende, zodat UWV terecht heeft besloten de loonsanctie niet te bekorten. Het standpunt van appellante dat bij de berekening van de loonwaarden slechts een uurloonvergelijking moet worden gemaakt, blijkt niet uit de Beleidsregels en wordt dus niet gevolgd. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de motivering daarvan. De rechtbank wordt tevens gevolgd voor wat betreft haar conclusie dat UWV terecht de re‑integratie‑inspanningen van appellante onvoldoende heeft geacht. Appellante heeft zich in het kader van de re-integratie beperkt tot activiteiten gericht op de fulltime hervatting van werknemer in de functie van agrarisch medewerker bij het andere bedrijf. Appellante is er ten onrechte van uitgegaan dat met die werkhervatting voor een uurloon dat iets meer bedroeg dan 65% van het eerdere uurloon, een bevredigend resultaat zou worden bereikt en heeft verder geen activiteiten ontplooid gericht op werkzaamheden met een hogere loonwaarde. UWV heeft terecht geconcludeerd dat van appellante had mogen worden verwacht dat initiatieven zouden zijn genomen om een beter re‑integratieresultaat te bereiken. Appellante heeft dit in het geheel nagelaten. Het hoger beroep faalt.