Naar boven ↑

Rechtspraak

Loonsanctie terecht opgelegd. Standpunt van de bedrijfsarts dat er geen sprake was van benutbare mogelijkheden, is niet juist.

Werknemer werkt vanaf 2001 in dienst van appellante in de functie van verdeler voor 35 uur per week. Werknemer valt op 12 maart 2015 uit voor die werkzaamheden wegens reumatoïde artritis, artrose, Hodgkin lymfoom en psychische klachten als gevolg van PTSS. Blijkens de eerstejaarsevaluatie van 29 februari 2016 is de bedrijfsarts op 22 mei 2015 van mening dat werknemer niet belastbaar is voor werk. Er zijn geen benutbare mogelijkheden meer voor hem. Op 20 juni 2016 vraagt werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met verkorte wachttijd aan. Deze aanvraag is bij besluit van 2 september 2016 door UWV afgewezen op de grond dat herstel en verbetering van de belastbaarheid van werknemer niet is uitgesloten. Naar aanleiding van de WIA-aanvraag per einde wachttijd is werknemer op 25 januari 2017 door een verzekeringsarts op het spreekuur gezien. Deze arts is op grond van eigen onderzoek tot de conclusie gekomen dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van werknemer niet adequaat heeft ingeschat. Bij rapport van 3 februari 2017 is een arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, omdat de bedrijfsarts ten onrechte heeft aangenomen dat werknemer geen benutbare mogelijkheden tot re-integreren had. UWV legt een loonsanctie op. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft terecht aangenomen dat geen sprake was van een bevredigend resultaat en vervolgens terecht de re-integratie-inspanningen van appellante beoordeeld. Aan die beoordeling heeft UWV ten grondslag gelegd dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van werknemer niet adequaat heeft ingeschat, omdat hij is uitgegaan van geen benutbare mogelijkheden. De stukken bieden voldoende steun voor het standpunt van UWV dat appellante onvoldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht. De bedrijfsarts heeft werknemer gedurende de gehele wachttijd van 104 weken niet in staat geacht om in arbeid te hervatten vanwege een gebrek aan benutbare mogelijkheden. Dat standpunt is moeilijk te begrijpen omdat de bedrijfsarts uit de rapporten van de verzekeringsarts van 26 augustus 2016 en 2 september 2016, opgemaakt ter beoordeling van de verkorte WIA-aanvraag, had kunnen afleiden dat werknemer volgens de verzekeringsarts wel benutbare mogelijkheden had. Het had in de rede gelegen dat de bedrijfsarts naar aanleiding van deze rapporten de functionele mogelijkheden van werknemer had vastgesteld ten behoeve van een arbeidskundig onderzoek of appellante had geadviseerd om bij UWV een deskundigenoordeel aan te vragen. De opvatting van appellante dat uit de toekenning per 7 maart 2018 van een IVA-uitkering aan werknemer moet worden afgeleid dat ten onrechte een loonsanctie is opgelegd, is niet juist. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 20 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4864 en 10 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1940) kunnen uit de toekenning van een IVA-uitkering aan een werknemer geen conclusies worden getrokken ter beantwoording van de vraag of een werkgever aan zijn re-integratieverplichting heeft voldaan. De toekenning van een dergelijke uitkering heeft achteraf plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan aan de orde zijn bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever. Het hoger beroep slaagt niet.