Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep, 5 februari 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:184
Betrokkene vraagt op 20 september 2014 een uitkering aan op grond van de WW. Hij vermeldt op het aanvraagformulier dat hij laatstelijk werkzaam is geweest via uitzendbureau X. UWV kent de uitkering toe met ingang van 22 september 2014 en verleent toestemming om met behoud van zijn uitkering in Polen naar werk te zoeken in de periode van 28 november 2014 tot en met 27 februari 2015. Naar aanleiding van een aantal meldingen is het vermoeden ontstaan dat Poolse (ex-)werknemers van uitzendbureau X hebben gefraudeerd bij het aanvragen van de WW-uitkering in die zin dat zij direct na het eindigen van het dienstverband zijn teruggekeerd naar Polen. Op basis van een onderzoek van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISWZ) is de toestemming om per 28 november 2014 met behoud van uitkering naar Polen te vertreken, ingetrokken. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat betrokkene al vóór de eerste werkloosheidsdag in Polen verbleef. Vervolgens is de uitkering wegens verblijf in het buitenland ingetrokken. De rechtbank acht het beroep van betrokkene gegrond. Anders dan UWV acht de rechtbank het onderzoeksrapport niet doorslaggevend. Met name omdat betrokkene de lijst niet kende en niet is gebleken dat hij betrokken is geweest bij de vermelding van zijn naam op een lijst of dat hij over een buskaartje beschikte. UWV stelt in hoger beroep dat de rechtbank de feiten afzonderlijk en niet in onderlinge samenhang heeft bezien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het feit dat betrokkene op de vertreklijst staat voor terugkeer naar Polen vormt een indicatie dat betrokkene ook daadwerkelijk naar Polen is vertrokken. In samenhang bezien met de onduidelijkheid over de daadwerkelijke verblijfsplaats van betrokkene na afloop van het dienstverband met het uitzendbureau heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat betrokkene naar Polen is vertrokken. Betrokkene is er niet in geslaagd om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het UWV onjuist is. Dit betekent dat de WW-uitkering onverschuldigd is betaald en het UWV gehouden is de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene terug te vorderen.