Naar boven ↑

Rechtspraak

Toekenning WW-uitkering. Het bepaalde dagloon vormt een redelijke afspiegeling van de welvaart van appellant.

Bij besluit van 9 september 2016 brengt UWV appellant met ingang van 6 oktober 2016 in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). UWV stelt het dagloon vast op € 70,79. Appellant maakt bezwaar. Appellant bestrijdt niet de door UWV gehanteerde bedragen en de dagloonvaststelling als zodanig. Hij meent dat het dagloon niet in overeensteming is met het aan het socialezekerheidsstelsel ten grondslag liggende dervingsbeginsel. Het bezwaar wordt door UWV ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit legt UWV ten grondslag dat bij de vaststelling van het dagloon is uitgegaan van het loon dat daadwerkelijk is genoten in het refertejaar en waarover premie is betaald. Het aldus berekende dagloon vormt volgens UWV een redelijke weerspiegeling van het welvaartsniveau van appellant. De rechtbank onderschrijft het oordeel van UWV. Het is, aldus de rechtbank, juist dat aan de dagloonregelingen het beginsel ten grondslag ligt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis. Het Dagloonbesluit, dat daarvan een uitwerking is, biedt echter geen mogelijkheid in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of het dagloon dat UWV overeenkomstig het Dagloonbesluit heeft vastgesteld in overeenstemming is met het aan het socialezekerheidsstelsel ten grondslag liggende dervingsbeginsel. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 1 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2361 slaagt niet. Zoals de Raad in die uitspraak nadrukkelijk heeft overwogen, biedt de omstandigheid dat een bepaling uit het Dagloonbesluit voor een betrokkene ongunstige gevolgen heeft, niet de mogelijkheid om voor betrokkene een ander dagloon vast te stellen. Slechts in het geval dat in het Dagloonbesluit voor de situatie waarin een betrokkene zich bevindt geen specifieke regeling is opgenomen of sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie, zoals de situatie dat voor de betrokkene een negatief loon was ontstaan, kan aanleiding bestaan het Dagloonbesluit buiten toepassing te laten. In deze zaak is daarentegen wel een specifieke regeling getroffen voor de vaststelling van het dagloon, waarbij het de expliciete bedoeling van de besluitgever is geweest om bij de vaststelling van het WW-dagloon een periode van een jaar te hanteren om aldus een redelijke afspiegeling van de welvaart van betrokkene te bereiken. Het enkele feit dat als het dagloon uitsluitend zou worden vastgesteld op basis van het loon dat appellant bij zijn laatste werkgever heeft verdiend het dagloon hoger zou zijn, betekent niet dat het dagloon niet in overeenstemming is met het dervingsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet.