Naar boven ↑

Rechtspraak

HBI X BV/werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 17 mei 2011
ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ5308

HBI X BV/werknemer

Ontslag op staande voet wegens sturen van sms’jes tijdens werktijd is niet rechtsgeldig. Met gedragingen na het ontslag op staande voet mag geen rekening worden gehouden

Werknemer is op 1 mei 2007 in dienst getreden van HBI in de functie van Sales Consultant. Tevens is door HBI aan werknemer toestemming verleend om op beperkte schaal actief te zijn in het ICT-bedrijf van de echtgenote van werknemer. De toestemming is verleend onder de voorwaarden dat geen sprake zal zijn van een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en genoemd bedrijf, dat de werkzaamheden zullen worden verricht buiten de uren waarop werknemer werkzaam is voor HBI en dat het aldus actief zijn de inspanningen van werknemer voor HBI op geen enkele wijze nadelig beïnvloedt. Op 22 oktober 2007 is werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij zowel in kwalitatieve als kwantitieve zin zou onderpresteren. Voorts zou hij zogenoemde 'spookbezoeken' hebben afgelegd. In de brief van 24 oktober 2007 wordt aan deze omstandigheden toegevoegd dat uit sms'jes van de ingeleverde bedrijfstelefoon blijkt dat werknemer tijdens dienstverband indringend voor het bedrijf van zijn echtgenoot actief is geweest. De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden.

Het hof oordeelt als volgt. Wat de werkbezoeken betreft, acht het hof geen sprake van een dringende reden. Ook al zou zijn afgesproken dat werknemer een derde van zijn werktijd aan klantenbezoek diende te besteden, had het op de weg van HBI gelegen – vanwege de zeer korte tijd dat werknemer dit werk deed – werknemer aan te spreken op zijn disfunctioneren en hem een verbetertraject aan te bieden.

Anders dan HBI is het hof van oordeel dat voorts uit de in de memorie van grieven geciteerde zeven sms-berichten als door HBI gevonden op de van werknemer terugontvangen telefoon, welke sms-berichten een periode van ongeveer twee weken beslaan, niet blijkt dat hij tijdens werktijd indringend is bezig geweest met activiteiten voor het bedrijf van zijn echtgenote. Dit geldt evenzeer voor de totale lijst van 35 berichten. Door de kantonrechter is terecht geoordeeld dat in zestien gevallen het initiatief van werknemer is uitgegaan, waarvan acht maal in de avonduren. Dat was in ieder geval de periode waarin door werknemer met toestemming van HBI voor het bedrijf van zijn echtgenote werkzaamheden mochten worden verricht. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het om korte triviale berichten gaat, waarvan het vervaardigen amper tijd zal hebben gevergd en het lezen nog minder tijd.

Het door HBI nog aangevoerde 'terzijde', zijnde de verklaring van de heer C van 28 november 2007, kan er niet toe leiden dat het ontslag op staande voet alsnog als geldig wordt aangemerkt. Er is immers sprake van een pas later aan HBI gebleken gedraging, die derhalve pas na het ontslag op staande voet bekend is geworden. Hiermee mag ingevolge HR 24 februari 1995, NJ 1995, 450 geen rekening worden gehouden.