Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Cofely Installatietechniek BV
Hoge Raad, 27 mei 2011
ECLI:NL:HR:2011:BP9991

werknemer/Cofely Installatietechniek BV

Schriftelijke verklaringen van collega-werknemers waaruit in algemene bewoordingen discriminatoir gedrag blijkt, is voldoende specifiek om getuigenbewijs toe te laten

Werknemer is sinds 8 februari 2001 in dienst van (de rechtsvoorganger van) GTI. Werknemer is sinds 28 oktober 2003 arbeidsongeschikt wegens met name psychische klachten. Na verkregen toestemming van de CWI is de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 maart 2006. Werknemer heeft GTI aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 jo. 7:611 BW. Hij heeft aangevoerd dat hij tijdens de werkzaamheden discriminerend en anderszins negatief is bejegend en dat GTI onvoldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat hij hierdoor schade zou lijden. GTI betoogde dat geen sprake was van stelselmatige discriminatie, maar dat werknemers kwaliteiten als vakman ontoereikend waren. De kantonrechter heeft werknemer opgedragen zijn stellingen te bewijzen. Daartoe heeft werknemer een aantal getuigen voorgedragen. De kantonrechter heeft de vordering vervolgens afgewezen. In hoger beroep heeft werknemer schriftelijke verklaringen overgelegd waarin in algemene bewoordingen discriminatoire gedragingen worden erkend. Het hof acht deze bewoordingen evenwel te algemeen en weinig specifiek. Het hof heeft werknemer niet in de gelegenheid gesteld om in dit hoger beroep nader bewijs te leveren door het als getuige doen horen van getuigen 1 t/m 4. Het hof nam hierbij in overweging (1) dat werknemer reeds in eerste aanleg de gelegenheid heeft gehad om getuigen te doen horen, (2) hij van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt maar de hiervoor genoemde personen kennelijk niet heeft opgeroepen, (3) werknemer niet heeft uitgelegd waarom dit in eerste aanleg is nagelaten en (4) uit de door deze personen ondertekende schriftelijke verklaringen niet blijkt dat zij concreet over specifieke incidenten van discriminatie kunnen verklaren.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De eerste drie argumenten van het hof zijn onjuist. Het hoger beroep dient juist ook om de werknemer in staat te stellen zijn fouten in eerste aanleg te herstellen. Daarvoor hoeft hij geen rechtvaardigingsgrond aan te voeren. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen het bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. De eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn, kan meebrengen dat indien reeds schriftelijke verklaringen van de getuigen zijn overgelegd, nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan (vgl. HR 9 juli 2004, LJN AO7817, NJ 2005, 270). Het hof heeft geoordeeld dat het bewijsaanbod onvoldoende concreet is omdat in de verklaringen slechts in algemene bewoordingen wordt gesproken over een discriminerende behandeling van werknemer zonder dat wordt ingegaan op specifieke voorvallen met vermelding per voorval van plaats, tijd en betrokkenen. Aldus heeft het hof te hoge eisen gesteld aan het bewijsaanbod en dus van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Uit de verklaringen blijkt immers ondubbelzinnig waarover de getuigen zouden kunnen verklaren en bovendien worden daarin de namen genoemd van degenen die bij de daarin bedoelde voorvallen zouden zijn betrokken, en het tijdvak waarin deze zouden hebben plaatsgevonden. Het bewijsaanbod heeft voorts betrekking op de kern van het geschil tussen partijen terwijl de herstelfunctie van het appel in beginsel meebrengt dat degenen die de verklaringen hebben opgesteld, die geen van allen in eerste aanleg als getuigen zijn gehoord, alsnog kunnen worden voorgebracht. Mede in aanmerking genomen, ten slotte, dat de verklaringen afkomstig zijn van collega's, voor wie het in verband met een voor de hand liggend conflict van loyaliteiten, plichten en eigen belangen, niet steeds eenvoudig zal zijn uitvoerig schriftelijk te verklaren, hoefde niet te worden vermeld in hoeverre de opstellers meer konden verklaren dan zij al hadden gedaan. Volgt vernietiging van het arrest van het hof.