Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Wolters
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2011
ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2346

werkneemster/Wolters

Arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht. Toepassing en uitleg artikel 7:628a BW bij vaste schoolritten en incidentele ‘verlengde schoolritten’

Werkneemster is met ingang van 10 januari 2002 voor de duur van één jaar als taxichauffeur in dienst getreden bij Wolters (taxibedrijf en koeriersdiensten) voor nul uur per week (op basis van een oproepcontract). Aansluitend zijn arbeidsovereenkomsten voor de duur van twaalf uur per week gesloten. Bij brief van 23 juni 2005 heeft Wolters werkneemster bevestigd dat werkneemster voor onbepaalde tijd in dienst was voor 52 uur per maand. Werkneemster verzorgde schoolritten die aan het begin van het jaar werden ingepland. De precieze duur van een rit varieerde van dag tot dag. Sporadisch verrichte werkneemster ook taxiritten. Van beide werkzaamheden hield werkneemster een rittenkaart bij op basis waarvan uitbetaling plaatsvond. Indien werkneemster in de betreffende maand meer uren had gereden dan 52 (twaalf uur per week), kreeg zij deze meeruren (naast het vaste loon gebaseerd op twaalf uur per week) uitbetaald. Indien werkneemster minder uren had gereden, werden deze minderuren als verlofuren aangemerkt door Wolters en ontving zij alleen haar vaste loon. Werkneemster heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 30 januari 2007 opgezegd tegen 1 maart 2007. Thans vordert zij achterstallig loon over de periode van 1 augustus 2006 tot 28 februari 2007, achterstallige vakantie-uren en een bedrag aan achterstallig vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente, evenals buitengerechtelijke incassokosten. Zij beroept zich op artikel 7:628a BW, stellende dat haar arbeidsovereenkomst als een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht moet worden aangemerkt en zij voor iedere oproep korter dan drie uur, recht heeft op uitbetaling van ten minste drie uren. De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis geoordeeld dat met betrekking tot de schoolroutes sprake was van een duidelijk arbeidspatroon, en in zoverre het bepaalde in artikel 7:628a BW niet toepasselijk geacht. Maakte werkneemster naast schoolritten op een dag een of meer andere taxiritten, dan heeft zij over de totaal daarmee gemoeide tijd recht op ten minste drie uur loon. Werkneemster diende op basis hiervan een herberekening te maken. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter op basis van die herberekening € 1.068,95 bruto toegewezen, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging en met de wettelijke rente, onder compensatie van proceskosten.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat met artikel 7:628a lid 1 BW, blijkens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1996/1997, 25 263, nr. 3, p. 23), is beoogd 'te bevorderen dat de werkgever de arbeid zo organiseert dat diensten of perioden van minder dan drie uur waarin arbeid moet worden verricht, waarbij ook nog onduidelijkheid bestaat over de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht of over de arbeidsduur, zo min mogelijk voorkomen. De aanspraak op loon kan worden beschouwd als een compensatie voor de onzekerheid in bijvoorbeeld oproeprelaties over de omvang van de arbeid en de daaruit voortvloeiende inkomsten of over de tijden waarop deze arbeid moet worden verricht. Deze aanspraak legt voorts druk op partijen om tot duidelijke afspraken te komen.' Het oordeel van de kantonrechter dat met betrekking tot de schoolroutes sprake was van een duidelijk arbeidspatroon wordt door het hof gedeeld. Het was werkneemster bij aanvang van het schooljaar duidelijk dat zij in ieder geval op schooldagen en afhankelijk van de schooltijden 's morgens en 's middags een rit diende te maken. Daaraan doet niet af dat Wolters de schoolroute kon wijzigen, zoals werkneemster aanvoert, nu zij niet tevens heeft gesteld dat Wolters ten opzichte van haar ook daadwerkelijk in meer dan een incidenteel geval van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en zij evenmin heeft gesteld dat een wijziging van de schoolroute een relevante wijziging van aanvangs- of eindtijd inhield. Tussenconclusie 1 van het hof is dat Wolters dan ook mocht volstaan met betaling voor deze schoolritten op basis van de werkelijke rittijden, ook al duurden deze schooldiensten korter dan drie uur.

Met betrekking tot aansluitende ritten, de zogenoemde 'verlengde schoolritten' overweegt het hof als volgt. Hoewel Wolters met een verlengde schooldienst enigszins tegemoet komt aan de uit artikel 7:628a BW sprekende bedoeling dat de arbeidstijden van een oproepkracht niet te veel versnipperd worden over een dag, brengt een verlengde schooldienst ook mee dat alsnog onduidelijkheid ontstaat over de vraag hoe laat werkneemster moest beginnen dan wel klaar zou zijn met deze rit. Wolters had het werk dan ook zo moeten organiseren, dat een verlengde schooldienst ten minste drie uur zou duren. Voor zover zij dat niet heeft gedaan, dient Wolters ingevolge artikel 7:628a BW daarvoor toch drie uur loon te betalen. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat werkneemster, voor zover het gaat om een 's morgens aan de schoolrit voorafgaande rit, daarvan daags tevoren op de hoogte raakte via het rooster, evenals haar collega's met een arbeidsomvang van ten minste vijftien uur per week, zoals Wolters ten verwere heeft aangevoerd. Het mag zo zijn dat werkneemster in zoverre niet slechter af was dan die collega's, maar uit het enkele feit dat de wetgever geen reden heeft gezien om werknemers met een arbeidsomvang van ten minste vijftien uur tegen wisselende werktijden te beschermen mag Wolters niet afleiden dat werkneemster de wettelijke bescherming niet toekomt. Tussenconclusie 2 luidt derhalve dat Wolters voor een verlengde schooldienst, die korter heeft geduurd dan drie uur, toch drie uur loon dient te betalen.