Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Vrije School Amersfoort
Gerechtshof Amsterdam, 19 juli 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4254

werkneemster/Stichting Vrije School Amersfoort

School is niet gebonden aan uitspraak Commissie van Beroep op grond van artikel 60 Wet primair onderwijs. Ontslagaanzegging kan derhalve niet nietig zijn. Gesloten stelsel van het ontslagrecht verzet zich tegen nietigheid. Ontslag is wel kennelijk onredelijk

Werkneemster is in dienst van de Stichting Vrije School Amersfoort (VSA). VSA heeft werkneemster ontslagen omdat zij haar niet bekwaam achtte voor de werkzaamheden. In eerste aanleg heeft zij loon en wederindiensttreding gevorderd, omdat de ontslagaanzegging volgens haar nietig is. Zij voert aan dat artikel 60 lid 3 van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo) alsmede artikel 12 van de cao-PO en artikel 18 lid 7 van het Reglement van instelling van de Commissie (hierna: het Reglement) met zich brengen dat VSA gebonden is aan de uitspraak van de Commissie. De Commissie heeft het beroep van werkneemster tegen het haar aangezegde ontslag gegrond verklaard. Subsidiair doet werkneemster een beroep op artikel 7:681 BW. De kantonrechter heeft geoordeeld dat VSA niet gebonden is aan een uitspraak van de Commissie en het ontslag niet kennelijk onredelijk is.

Het hof oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 mei 1996 (LJN: ZC2085) geoordeeld: 'Dit leidt tot de slotsom dat de in arbeidszaken bevoegde burgerlijke rechter, indien een ontslagen leerkracht in het bijzonder onderwijs zich tot hem wendt nadat de commissie van beroep hem in het ongelijk heeft gesteld, het geschil in volle omvang en niet slechts marginaal dient te beoordelen. Dit is slechts anders indien tussen de onderwijsinstelling en de leerkracht is overeengekomen dat de beslissing van de commissie van beroep tussen partijen zal gelden als een bindend advies. Van het bestaan van zulk een overeenkomst zal dan echter ondubbelzinnig moeten blijken.' Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 november 2001 (LJN: AB2752) geoordeeld dat indien tussen een leraar en een school geen verplichting is overeengekomen een eventueel arbeidsgeschil bij wege van bindend advies te laten beslissen door de commissie van beroep, er geen reden is op grond waarvan een leraar gehouden is het geschil eerst aan de commissie van beroep voor te leggen, alvorens zich tot de burgerlijke rechter te wenden. In beide voornoemde gevallen ging het over de vraag of de leerkracht gebonden was aan de uitspraak van de commissie van beroep, althans of hij gehouden was het geschil aan die commissie voor te leggen alvorens de burgerlijk rechter te adiëren. Het antwoord op deze vragen luidt ontkennend. Om de leerkracht te kunnen binden aan het oordeel van de commissie van beroep dienen de leerkracht en de school dit ondubbelzinnig te zijn overeengekomen. In casu ligt de vraag voor of ook VSA het oordeel van de Commissie naast zich neer mag leggen, bij gebreke van een ondubbelzinnige overeenkomst tussen partijen. Daarbij is van belang dat voor VSA, anders dan voor leerkrachten, een wettelijke verplichting – artikel 60 lid 3 van de Wpo – geldt zich te onderwerpen aan het oordeel van de Commissie. Het hof is van oordeel dat VSA op grond van artikel 60 lid 3 Wpo niet gehouden is de uitspraak van de Commissie te aanvaarden. Uit genoemd artikel vloeit niet voort dat een ontslag als gevolg van een nadien gegeven, voor de werknemer gunstig oordeel van de Commissie nietig of vernietigbaar is. Het wettelijk stelsel inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kent een uitputtend systeem van opzeggings- en beëindigingsmogelijkheden. Een ontslag is alleen nietig of vernietigbaar in de in de wet geregelde gevallen en, zoals de kantonrechter heeft overwogen, de Commissie heeft geen wettelijke bevoegdheid om een ontslagbesluit te vernietigen. Een dergelijke bevoegdheid kan niet uit artikel 60 lid 3 Wpo noch uit enige andere wettelijke bepaling worden afgeleid. Van een nietig of vernietigbaar ontslag wegens strijd met een dwingende wetsbepaling als bedoeld in artikel 3:40 lid 1 BW is, kortom, naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake. Artikel 60 lid 3 Wpo heeft niet de strekking de geldigheid van een daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten.

Naar het oordeel van het hof is het ontslag evenwel kennelijk onredelijk. Daarbij zijn onder meer de bevindingen van de Commissie van belang. De Commissie heeft geoordeeld dat VSA in redelijkheid niet tot de conclusie had kunnen komen dat werkneemster onbekwaam of ongeschikt was voor haar functie. Daartoe heeft de Commissie onder meer overwogen dat niet is komen vast te staan dat vijftien leerlingen de klas van werkneemster hebben verlaten als gevolg van haar wijze van lesgeven. Slechts van vijf leerlingen is dit vast komen te staan. Evenmin staat vast dat werkneemster een aangeboden begeleidingstraject heeft geweigerd, noch dat het niveau van haar leerlingen, zoals gebleken uit de Cito-toets, onder de maat was. Evenmin heeft VSA voldoende aangetoond dat werkneemster niet goed functioneerde binnen het team van leerkrachten.

Volgt aanhouding van de zaak voor nadere comparitie waarin partijen zich kunnen uitlaten over de omvang van de schadevergoeding.