Naar boven ↑

Rechtspraak

Mitra/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 augustus 2011
ECLI:NL:GHLEE:2011:BR6239

Mitra/werknemer

Demotie van slijter niet in strijd met Stoof/Mammoet-criteria. Werkgever heeft voldoende begeleiding aangeboden, functioneringsgesprekken gevoerd en redelijke afbouwregeling ter zake het loon voorgesteld

Kort gezegd gaat het in deze procedure om de vraag of Mitra haar werknemer al dan niet op goede gronden uit zijn functie van slijter (filiaal X) heeft gezet en hem heeft benoemd in de lagere functie van 1e verkoopmedewerker, zulks met een afbouwregeling van het salaris van slijter naar het salaris behorende bij de lagere functie van 1e verkoopmedewerker. Stellende dat de demotie niet wordt gerechtvaardigd door de feiten, heeft werknemer wedertewerkstelling in de oude functie gevorderd onder betaling van het hem als slijter toekomende loon. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer grotendeels toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, in de eerste plaats dient te worden onderzocht of de werkgever daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, evenals – naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming – de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden (HR 11 juli 2008, LJN BD1847, Stoof/Mammoet).

Het hof is van oordeel dat de inschakeling van een mentor – om het functioneren van werknemer te verbeteren – gedurende drie keer voor telkens drie maanden in een periode van vijf jaren, naast de maandelijkse bezoeken door de rayonmanager voorshands bepaald niet de conclusie rechtvaardigt dat Mitra er onvoldoende aan heeft gedaan om het functioneren van werknemer op het door haar gewenste peil te brengen. Het hof tekent daarbij aan dat de eerste twee keren het inschakelen van een mentor een positieve invloed bleek te hebben gehad op het functioneren van werknemer. Zou dat anders zijn geweest, dan was Mitra waarschijnlijk niet nogmaals tot benoeming van een mentor overgegaan. Dat de begeleiding weinig voorstelde, zoals door werknemer wordt betoogd, komt dan ook op voorhand weinig aannemelijk voor. Het zou wellicht nog aanbeveling hebben verdiend om werknemer tijdelijk over te plaatsen naar een ander filiaal teneinde te bezien of het onder de maat presteren van werknemer niet geheel, althans grotendeels zijn oorzaak vond in de interne werkrelaties binnen het filiaal te X, maar, zoals blijkt uit de brief van 12 april 2010 van rayonmanager aan werknemer voelde hij daar zelf weinig voor. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat Mitra aan de hand van de overgelegde beoordelingsformulieren, de gespreksverslagen van de gesprekken tussen werknemer en de rayonmanager(s) en de overige correspondentie, als weergegeven onder de vaststaande feiten, voorshands het langdurig onvoldoende functioneren van werknemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Nu de demotie van werknemer één functieniveau betreft en de afbouw naar het bij het lagere functieniveau behorende salaris is uitgesmeerd over een periode van aanvankelijk vijf jaren (van € 2.216,23 naar € 1.681,89 per maand) en thans – naar Mitra in hoger beroep onweersproken heeft gesteld – over een periode van drie jaren (van € 2.216,23 naar € 1.995,00 per maand) is het hof op grond van de vaststaande feiten en het hiervoor overwogene van oordeel dat het op voorhand niet in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter tot de conclusie zal komen dat de eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst door Mitra de toets van goed werkgeverschap (zie HR 11 juli 2008, LJN BD1847) niet doorstaat.