Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/GlaxoSmithKline BV c.s.
Gerechtshof Amsterdam, 25 oktober 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3398

werknemer/GlaxoSmithKline BV c.s.

Werknemer mocht niet gerechtvaardigd vertrouwen op (onjuiste) vermelding dienstjaren in pensioenpolissen, na oversluiten pensioenregeling bij werkgever

Werknemer is aanvankelijk in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) SmithKline Beecham Farma BV. Op 1 januari 2001 is SmithKline Beecham Farma BV gefuseerd met Glaxo Wellcome, waarna GSK de werkgever van werknemer is geworden. Werknemer heeft deelgenomen aan de pensioenregeling van SmithKline Beecham (verder te noemen de SB-pensioenregeling of de oude regeling). Op enig moment na 1 januari 2001 is werknemer toegezegd dat hij zou gaan deelnemen aan de nieuwe directiepensioenregeling van GSK. Het geschil tussen partijen in de hoofdzaak betreft in de kern de vraag van welke startdatum voor de pensioenopbouw voor werknemer moet worden uitgegaan bij de op 31 augustus 2004 tussen partijen gesloten pensioenovereenkomst. Werknemer stelt dat moet worden uitgegaan van de feitelijke datum van zijn indiensttreding, 1 februari 1984. GSK stelt dat uitgegaan moet worden van een fictieve datum van indiensttreding, te weten 1 januari 1989. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van werknemer afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat hij ervan uit mocht gaan dat hij in de collectieve directiepensioenregeling van GSK pensioen zou opbouwen vanaf de feitelijke datum van indiensttreding. In de pensioenovereenkomst van 31 augustus 2004, die door beide partijen is ondertekend, is immers expliciet aangegeven hoe de pensioenaanspraken van werknemer worden vastgesteld. Werknemer heeft nog aangevoerd dat na de fusie in 2001 geen sprake was van een nieuwe werkgever, zodat de datum van indiensttreding niet is veranderd. Dat is echter voor de beoordeling van het geschil tussen partijen niet relevant. In de onderhavige zaak gaat het immers niet om de oude pensioenregeling (die na de fusie ongewijzigd voortgezet had kunnen worden), maar om het vier jaar na de fusie vrijwillig aansluiten bij een nieuwe, gunstiger pensioenregeling én kiezen voor overdracht van de opgebouwde waarde in de vorige regeling naar de nieuwe regeling. Dat die nieuwe regeling op zichzelf gunstiger was dan de oude, wordt door werknemer niet betwist. Daaraan doet niet af dat die regeling nog gunstiger zou zijn geweest wanneer de opgebouwde jaren in de oude regeling onverkort zouden zijn omgezet in de nieuwe regeling.

De overzichten en polissen waarbij is uitgegaan van opbouw van pensioen vanaf februari 1984 zijn gedurende een periode van ruim twee jaar aan werknemer verstrekt. Gelet op de looptijd van pensioenovereenkomsten is dat niet een zodanig lange periode, dat daardoor een gerechtvaardigd vertrouwen op de juistheid van die overzichten wordt gewekt. Daarnaast is in de overzichten en polissen een voorbehoud gemaakt voor het geval er is uitgegaan van onjuiste gegevens. Gelet op hetgeen in de pensioenovereenkomst tussen partijen is overeengekomen mocht werknemer er, ook na de verstrekking van deze onjuiste overzichten, niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij in de nieuwe pensioenregeling evenveel pensioenjaren zou hebben als hij in de oude SB-regeling had opgebouwd. Dat de fout eerst is ontdekt, nadat door GSK is besloten het dienstverband met werknemer te beëindigen, maakt dat niet anders.