Rechtspraak
werknemers/De Nederlandsche Bank NV c.s.
(Vervolg op AR 2010-593.) X en Y waren vanaf september 1989 tot 17 april 2003 bestuurder van Veer Palthe Voûte (VPV). X en Y hebben in 1999 overleg gevoerd met het ministerie van Financiën over de fiscale gevolgen van een openbaar bod op de houdstermaatschappijen. Het overleg heeft geleid tot een fiscale vaststellingsovereenkomst die op 10 december 1999 is getekend. In 2000 heeft de Dresdner Bank een openbaar bod op de aandelen in de houdstermaatschappijen gedaan en deze aandelen verkregen. Vanwege een aantal verdachte transacties in 1999 is door de DNB en de AFM onderzoek verricht wegens verdenking van handel met voorwetenschap door X en Y. De aanwijzingen van DNB en AFM hebben ertoe geleid dat de bestuurders in 2003 zijn ontslagen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft op 12 september 2006 deze besluiten vernietigd en de aanwijzingen herroepen. Volgens het CBB waren de besluiten onvoldoende gemotiveerd. X en Y zijn zowel in eerste als in tweede aanleg strafrechtelijk veroordeeld wegens handel met voorwetenschap. De Hoge Raad heeft op 5 juli 2011 de arresten van het gerechtshof te Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend voor zover het de strafoplegging betreft (LJN BP2620 en BP2551). X en Y vorderen in dit geding, kort gezegd, schadevergoeding op de grond dat de onherroepelijke uitspraken van het CBB van 12 september 2006 tussen partijen bindende kracht hebben in het onderhavige civiele geschil, zodat tussen partijen vaststaat dat DNB en AFM door het geven van de aanwijzingen jegens hen toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld. Het hof heeft de vorderingen van X en Y toegewezen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Zij was onder meer van oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in HR 31 mei 1991, LJN ZC0261, NJ 1993, 112 die een uitzondering op de bindende kracht van de uitspraken van het CBB rechtvaardigt. Het hof oordeelde anders en wees de vordering van X en Y toe, zij het met een eigen schuld van 60%. Tegen dit oordeel keren zowel X en Y als DNB en AFM zich in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij het in cassatie niet bestreden uitgangspunt dat noch van strafrechtelijk onderzoek noch van aanwijzingen sprake zou zijn geweest als X en Y in 1999 geen handelingen zouden hebben verricht die de strafrechter heeft gekwalificeerd als, kort gezegd, misbruik van voorwetenschap, is – nu die aanwijzingen tot het op 17 april 2003 gegeven ontslag hebben geleid – zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat aan DNB en AFM toe te rekenen omstandigheden voor 40% tot de schade hebben bijgedragen. Het arrest van het hof dient derhalve te worden vernietigd. Na verwijzing zou ten aanzien van de mate van eigen schuld slechts als volgt kunnen worden geoordeeld. De door het CBB op grond van motiveringsgebreken herroepen aanwijzingen van DNB en AFM hebben geleid tot het ontslag van X en Y. Tot die aanwijzingen, en daarmee het ontslag, zou het echter niet zijn gekomen indien X en Y zich niet zouden hebben schuldig gemaakt aan gedragingen die, naar het inmiddels sedert 5 juli 2011 onherroepelijk oordeel van de strafrechter, het misdrijf van (feitelijk leiding geven aan) handelen in strijd met het destijds geldende artikel 46 Wet toezicht effectenverkeer opleveren. Dit in aanmerking genomen, zijn de aan de beide toezichthouders DNB en AFM toe te rekenen omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen te verwaarlozen ten opzichte van die welke aan X en Y zijn toe te rekenen, zodat die schade geheel voor rekening van deze laatsten dient te blijven. Dit leidt tot de slotsom dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.