Rechtspraak
Hoge Raad, 30 maart 2012
ECLI:NL:HR:2012:BV1295
Onderlinge Levensverzekeringen Maatschappij/Nationale Nederlanden
Op 12 januari 1999 is werknemer van de Onderlinge een eenzijdig verkeersongeval overkomen, terwijl hij in zijn eigen auto reed. Werknemer heeft door dit ongeval ernstig letsel (dwarslaesie ) opgelopen. Hij had geen schadeverzekering inzittenden (SVI) en heeft ook geen andere verkeersdeelnemers aansprakelijk kunnen stellen voor de gevolgen van het ongeval. Ten tijde van het ongeval was de Onderlinge bij Nationale-Nederlanden verzekerd op grond van een ‘Aansprakelijkheidsverzekering voor administratieve bedrijven, detailhandel, horeca, ambachten, e.d.’ (hierna ook: de AVB). Deze verzekering geeft, binnen de grenzen van de polisvoorwaarden, dekking tegen aansprakelijkheid voor schade aan personen en schade aan zaken. De Onderlinge is in eerste aanleg op grond van artikel 7:658 BW veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft het hof de aansprakelijkheid gegrond op artikel 7:611 BW. Thans vordert de Onderlinge een verklaring voor recht dat Nationale-Nederlanden gehouden is tot nakoming van haar verplichtingen uit de AVB-polis, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de kosten van het geding. De Onderlinge legt aan deze vordering, kort samengevat, primair de stelling ten grondslag dat de AVB-polis in kwestie dekking biedt voor de schade die zij aan haar werknemer moet vergoeden. De rechtbank heeft de vorderingen van de Onderlinge afgewezen (zie AR 2009-199). Het hof heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, stellende dat de Onderlinge ex artikel 7:611 BW niet aansprakelijk is geoordeeld voor de letselschade van werknemer, maar voor – kort gezegd – het missen van een verzekeringsuitkering en dus zuivere vermogensschade hetgeen niet onder de dekking van zaak- of personenschade van de AVB-polis valt (AR 2011-595). Tegen dit oordeel keert de Onderlinge zich in cassatie. Het middel betoogt in de kern dat het hof bij de uitleg van de polis heeft miskend dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de aansprakelijkheid van de werkgever voor schade van de werknemer waarvoor de werkgever in een geval als het onderhavige op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk is, volgt dat de onderhavige schade niet als vermogensschade behoort te worden gekwalificeerd, althans niet in die zin dat deze schade buiten de dekkingsomvang van de polis zou vallen. De onderhavige schade, waarvoor de werkgever tegenover de werknemer aansprakelijk is, is immers ontstaan als gevolg van het ongeval.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Een redelijke uitleg van een AVB-polis die mede de aansprakelijkheid van een verzekerde als werkgever tegenover zijn ondergeschikten dekt voor letselschade van werknemers die in dienst van de verzekerde deelnemen aan het wegverkeer, brengt in beginsel mee dat deze tevens dekking verleent tegen een op artikel 7:611 BW gebaseerde aansprakelijkheid van de verzekerde als werkgever op de grond dat hij heeft verzuimd tegen dat risico een behoorlijke verzekering te sluiten voor die werknemers. De functie die een AVB-polis in het maatschappelijk verkeer vervult en de daarop gebaseerde verwachtingen van verzekerden, rechtvaardigt immers een ruime dekkingsomvang, ook als de gedekte schade elders in de polisvoorwaarden is omschreven als ‘schade aan personen en schade aan zaken’. Dit is mede het geval omdat een zodanige verzekering ertoe strekt de werkgever dekking te verlenen voor de gevolgen van zijn aansprakelijkheid ter zake van de schade die zijn werknemers lijden als gevolg van ongevallen. Weliswaar gaat het in geval van een aansprakelijkheid op de voet van artikel 7:611 BW om vermogensschade die strikt genomen geen letselschade is, maar de rechtsgrond voor deze aansprakelijkheid, de bescherming van de werknemer tegen de gevaren van het wegverkeer in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, is dezelfde welke ten grondslag ligt aan de – onder omstandigheden – op artikel 7:658 BW te baseren aansprakelijkheid van de werkgever tegenover zijn werknemer voor dezelfde gevaren. Voorts betreft de aansprakelijkheid van de werkgever ongevalsschade die de werknemer vergoed zou hebben gekregen indien de werkgever wel zou hebben voldaan aan zijn hier bedoelde verzekeringsplicht. Bovendien wordt de schade die de verzekerde/werkgever lijdt doordat hij op de voet van artikel 7:611 BW in voormelde zin aansprakelijk is tegenover zijn werknemer, indirect veroorzaakt door het letsel van de werknemer.