Naar boven ↑

Rechtspraak

Stam/Van de Grijp
Hoge Raad, 13 april 2012
ECLI:NL:HR:2012:BW0218

Stam/Van de Grijp

Van de Grijp/Stam II. Ontslag van langdurig en volledig arbeidsongeschikte werknemer met ruim 30 dienstjaren zonder vergoeding is niet kennelijk onredelijk. Toetsmoment ontslaggrond en toetsmoment gevolgen van ontslag

Stam is op 16 september 1974 als machinebrander in dienst getreden van Van de Grijp. Op 31 augustus 1989 is hem een bedrijfsongeval overkomen. Hij is (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geworden. Op 10 september 2001 is hij uitgevallen wegens rugklachten. Daarna heeft hij slechts op enkele momenten, telkens voor perioden van minder dan vier weken, zijn werk hervat. Gedeeltelijke werkhervatting voor aangepaste werkzaamheden was volgens Van de Grijp niet mogelijk. Met toestemming van de CWI is de arbeidsovereenkomst per 1 november 2004 opgezegd. Tegelijkertijd met deze opzegging vond een reorganisatie plaats bij Van de Grijp. Stam viel evenwel niet onder het toepassingsbereik van het sociaal plan, zodat hem de daarin opgenomen voorziening niet toekwam. Bij besluit van 11 mei 2005 is de arbeidsongeschiktheid van Stam met terugwerkende kracht op 80-100% bepaald. Stam heeft vervolgens schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering van Stam afgewezen. Het Hof Den Haag heeft de vordering toegewezen onder toepassing van de zogenoemde ABC-formule. Bij arrest van de Hoge Raad (27 november 2009, LJN BJ6596, AR 2009-901 (Van de Grijp/Stam)) is het arrest van het Hof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam. Naar het oordeel van het Amsterdamse hof is geen sprake van kennelijke onredelijke opzegging (AR 2011-0355). Tegen dit oordeel keert Stam zich in cassatie, stellende onder meer dat het hof ten onrechte belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat bij besluit van 11 mei 2005 de arbeidsongeschiktheid van Stam met terugwerkende kracht (tot 2002) op 80-100% is gesteld, waaruit (mede) zou blijken dat het ontslag van Stam was geënt op langdurige arbeidsongeschiktheid en niet op bedrijfseconomische redenen. Voorts acht Stam het feit dat vanwege de reorganisatie geen passende arbeid (meer) voorhanden is, doorslaggevend voor het aannemen van bedrijfseconomische redenen. Ten slotte heeft Stam aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat hij 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard, niet betekent dat hij nadien zijn eventuele restcapaciteit niet zou kunnen benutten, waardoor het hof het gevolgencriterium anders had moeten toepassen en motiveren.

De advocaat-generaal (Spier) concludeert als volgt. Het enkele feit dat vanwege een reorganisatie geen passende arbeid meer bij de werkgever voorhanden is, maakt het ontslag van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer nog niet tot een bedrijfseconomisch ontslag. Op de werkgever rust immers de plicht dergelijke werknemers zo veel mogelijk in de eigen onderneming passende arbeid aan te bieden, maar zij kan werknemers ook in het tweede spoor re-integreren. De stelling dat Stam wel degelijk in staat zou zijn geweest nog enige nuttige arbeid te verrichten, waardoor het gevolgencriterium anders had moeten uitpakken, verwerpt de A-G omdat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. De ex-tuncklacht wordt eveneens verworpen. De A-G overweegt daartoe onder meer dat bij de toetsing van de gevolgen van het ontslag de datum waarop de arbeidsovereenkomst expireert doorslaggevend is. De toetsing van de (on)juistheid van de ontslaggrond dient te worden beoordeeld naar het moment van de aanzegging van het ontslag.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.