Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 17 april 2012
ECLI:NL:RBARN:2012:BW3233
Stichting Openbare Bibliotheek Rivierenland/werkneemster
Werkneemster is sinds 2005 werkzaam als directeur van de Stichting Openbare Bibliotheek Rivierenland (hierna: de stichting). Voor de oprichting van deze stichting was zij in dienst van de stichting Biblioservice Gelderland (SBG). Vanwege het vervallen van haar functie na een reorganisatie bij SBG is zij gedetacheerd bij de stichting, waar zij is blijven werken. In 2011 is door de RvT van de stichting een extern onderzoeksbureau ingeschakeld. Naar aanleiding daarvan hebben gesprekken met werkneemster plaatsgevonden en is een conflict met de RvT ontstaan. Op 20 januari 2012 heeft de voltallige RvT, na ingewonnen advies bij de ondernemingsraad van de stichting, op grond van de haar gegeven bevoegdheid daartoe, werkneemster ontslagen uit haar statutaire functie van directeur van de stichting. Hieraan ligt ten grondslag dat de gezagsverhouding tussen RvT en de bestuurder is verstoord, waardoor de RvT de mogelijkheid tot het houden van toezicht feitelijk wordt ontnomen. Thans verzoekt de stichting ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De stichting heeft aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van een overgang van onderneming toen werkneemster in 2005 in dienst trad, omdat SBG nog immer een bestaande rechtspersoon is. Deze strikte uitleg wordt niet gevolgd. Er is in dit geval sprake van een splitsing van een economische eenheid die haar identiteit heeft behouden. Immers, alle bij SBG destijds in het overgegane onderdeel werkzame medewerkers zijn, met behoud van hun anciënniteit, overgegaan naar de stichting. Zelfs als niet zou kunnen worden vastgesteld dat hiervan in de strikte zin sprake is, is er in ieder geval sprake van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:668a lid 1 sub a BW. Daarom moet worden uitgegaan van een anciënniteit van ruim 35 jaar. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege een onherstelbare vertrouwensbreuk. Werkneemster valt niet in overwegende mate een verwijt te maken ter zake de verandering in de omstandigheden. De stichting kan worden toegegeven dat werkneemster, toen de topstructuur van de organisatie onder de loep werd genomen, niet altijd even handig heeft gemanoeuvreerd. Dat geldt echter evenzeer voor de RvT van de stichting die, tegen het verzoek van werkneemster en – belangrijker nog – ook tegen het uitdrukkelijk advies van het door de RvT zelf ingeschakelde GITP, het gesprek met werkneemster niet is aangegaan. Mede gezien de lange duur van de dienstbetrekking, de leeftijd van werkneemster en haar kansen op de arbeidsmarkt, is een C=1 gerechtvaardigd (€ 246.991,68). Een dergelijke vergoeding is echter disproportioneel gelet op het feit dat onweersproken vaststaat dat de stichting geheel afhankelijk is van subsidies van de aangesloten gemeenten en dus van overheidsgelden. Daarbij past een dergelijke vergoeding niet. Mede gegeven het feit dat het eigen vermogen van de stichting in 2011 door een negatief resultaat is gedaald naar € 1.731, maar in de jaarstukken ook een reservering is opgenomen voor de reorganisatie van directie en management, stelt de kantonrechter de vergoeding naar billijkheid op € 150.000.