Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland, 7 september 2012
ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7210
Agrifirm Plant B.V./werkneemster
Werkneemster (50 jaar) is sinds 1979 in dienst van (een rechtsvoorganger van) CKB, dat later onderdeel is geworden van Agrifirm. Sinds 2003 is zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontvangt zij een gedeeltelijke WAO-uitkering. Ze werkt sindsdien halve dagen in de middag. Werkneemster is per 1 september 2011 boventallig verklaard. UWV WERKbedrijf heeft in juni 2012 de gevraagde toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst geweigerd, omdat onvoldoende is gebleken dat de arbeidsplaats van werkneemster is komen te vervallen. Thans verzoekt Agrifirm ontbinding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Agrifirm heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen vaste administratieve functies in de vestiging CKB meer voorhanden zijn. Gelet op de lange duur van het dienstverband vóór de gedeeltelijke uitval en gelet op het feit dat werkneemster als arbeidsgehandicapte dient te worden aangemerkt, rust op Agrifirm een extra inspanningsverplichting om binnen Agrifirm/Agrifirm Group B.V. een andere passende functie voor haar te vinden (vgl. HR 21 mei 2010, NJ 2010, 495 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss (Hoedjes/Volker Wessels)). Agrifirm dient zich daarbij actief op te stellen, en kan niet volstaan met het publiceren of rondsturen van interne vacatures. Onder omstandigheden kan voorts van Agrifirm worden verwacht dat zij een werkplek, werkverdeling of functie-inhoud ten behoeve van werkneemster aanpast, en voorts dat zij werkneemster bij voorrang voor een functie in aanmerking brengt indien er meerdere geschikte kandidaten zijn (artikel 5.3 sociaal plan, HR 8 november 1985, LJN AE1082 (Van Haaren/Cehave), HR 26 oktober 2001, LJN AB3098 (Bons/Ranzijn), vgl. ook Beleidsregels Ontslagtaak UWV hoofdstuk 20 sub 5). Het verweer van werkneemster dat er bij de vestigingen van Agrifirm wel degelijk passende functies beschikbaar zijn, is onvoldoende door Agrifirm weerlegd. Mede in aanmerking wordt genomen dat de reorganisatie kennelijk louter is ingegeven door redenen van efficiëntie, en niet (mede) door financieel-economische omstandigheden. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat Agrifirm als een financieel gezond bedrijf is aan te merken. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.