Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Tristar Air
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 december 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7892

werknemer/Tristar Air

Geen arbeid, geen loon wegens afkeuring na urine-onderzoek co-piloot Tristar. Benzodiazepine wegens medicijngebruik rechtvaardigt nog geen beroep op artikel 7:629 BW

Werknemer is met Tristar overeengekomen dat hij per 1 september 2008 als co-piloot op oproepbasis werkzaamheden zal verrichten voor Tristar. Overeengekomen was dat werknemer een vaste vergoeding (het loon) zou ontvangen van € 3.300 netto per maand en daarboven USD 100 netto per dag (de dagvergoeding) voor iedere vluchtdag. Werknemer heeft zijn werk als co-piloot per 1 november 2009 niet meer kunnen verrichten, omdat hij door de Egyptische autoriteiten voor dat werk was afgekeurd wegens de aanwezigheid van benzodiazepines in zijn urine. Werknemer heeft vanaf 1 november 2009 geen loon en dagvergoedingen ontvangen. In deze procedure staat de vraag centraal of Tristar op grond van artikel 7:628 BW alsnog gehouden is het loon te betalen.

Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft aangevoerd dat hem niet bekend was welke medicijnen hij wel of niet mocht gebruiken onder het hem onbekende (Egyptische) keuringsregime. Hij heeft echter ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat hij een tranquilizer gebruikte waarmee hij niet kon rijden. Hij heeft in dat licht onvoldoende onderbouwd dat het voor hem niet voorzienbaar was dat hij door gebruik van die medicatie zou worden afgekeurd voor zijn werk als co-piloot. Werknemer heeft daarnaast aangevoerd dat Tristar hem niet of onvoldoende de gelegenheid heeft geboden om zijn gedrag aan te passen. Ook deze stelling heeft werknemer onvoldoende onderbouwd. Tussen de eerste en de tweede keuring zat immers een tijdsverloop van bijna een maand. Werknemer heeft weliswaar erop gewezen dat benzodiazepines langzaam uit het bloed verdwijnen, maar hij heeft niet aangevoerd dat hij in de periode tussen de twee keuringen zijn medicijngebruik heeft verminderd of gestaakt. Het tegendeel lijkt het geval, nu hij ter comparitie heeft verklaard dat bij de tweede keuring dezelfde hoeveelheid benzodiazepines in zijn bloed werd aangetroffen als bij de eerste keuring. Werknemer heeft tevens aangevoerd dat hij pas na de tweede test bekend werd met de herkomst van de benzodiazepines. Wat daar verder van zij, ook deze stelling kan hem niet baten. Hij had immers de gelegenheid een derde keuring te ondergaan, maar werknemer heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Hij heeft onvoldoende aangevoerd om te concluderen dat hij daarvan wegens geldgebrek heeft moeten afzien. Hij heeft immers niet (gemotiveerd) weersproken, zoals Tristar heeft aangevoerd, dat hij de gelegenheid had om zonder of tegen lage kosten naar Egypte te vliegen. Werknemer heeft naast het voorgaande aangevoerd dat de benzodiazepines afkomstig waren van het kalmeringsmiddel diazepam dat hem door zijn tandarts werd voorgeschreven. Voor zover hij daarbij een beroep heeft gedaan op artikel 7:629 lid 1 BW (hij heeft immers gesteld dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte), heeft het volgende te gelden. Tristar heeft betwist dat werknemer ziek was en medicatie gebruikte in het kader van een geneeskundige behandeling. Werknemer had in verband met die betwisting een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW moeten overleggen. Nu hij dat niet heeft gedaan, kan zijn vordering niet op grond van artikel 7:629 lid 1 worden toegewezen. Werknemer heeft zich bovendien nooit ziek gemeld bij Tristar. Integendeel, hij heeft niet eerder dan in dit hoger beroep aangevoerd dat sprake was van ongeschiktheid voor zijn werk ten gevolge van ziekte.