Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 23 oktober 2012
ECLI:NL:GHARN:2012:BY1128
i4Talent B.V./IMNederland Trainingen B.V.
IMNederland heeft op omstreeks 3 juni 2008 met i4Talent een overeenkomst van dienstverlening gesloten. Deze hield onder meer in dat i4Talent aan IMNederland de heer P. Brans (hierna: Brans) ter beschikking zal stellen, die door IMNederland wordt gedetacheerd bij haar klant ARBO Unie B.V. (hierna: ARBO Unie) om daar werkzaamheden uit te voeren. In de overeenkomst is onder 7 en onder het kopje ‘Relatiebeding’ (hierna: het relatiebeding) bepaald: ‘Opdrachtnemer en diens ingezette kracht zullen gedurende de duur van de opdracht en een jaar na beëindiging van de opdracht noch actief dan wel passief acquireren bij de opdrachtgever van opdrachtgever, onder verbeurte van een boete van € 25.000,00 per gebeurtenis, onverminderd de verplichting de daadwerkelijke schade te vergoeden.’ In het kader van de overeenkomst is Brans vanaf juli 2009 tot en met april 2010 gedetacheerd geweest bij ARBO Unie. Op initiatief van ARBO Unie is in overleg met en door i4Talent Brans van 17 augustus 2010 tot 12 november 2010 wederom gedetacheerd bij ARBO Unie. In oktober 2010 heeft IMNederland kennisgenomen van deze gang van zaken. Zij heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, jegens i4Talent aanspraak gemaakt op de boete van € 25.000. De rechtbank heeft de vordering van IMNederland toegewezen. De rechtbank heeft overwogen dat het relatiebeding ook ziet op de onderhavige situatie dat de opdrachtnemer wordt benaderd door een klant van de opdrachtgever om aan deze klant een werknemer ter beschikking te stellen. Tegen dit oordeel keert i4Talent zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat artikel 7 als aanhef heeft ‘Relatiebeding’. Niet in geschil is, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dat partijen beide professionele partijen zijn die zich bezighouden met detachering van werknemers, waaruit het hof afleidt dat zij uit dien hoofde bekend zijn met een relatiebeding als het onderhavige en zijn doel, het verbieden van het benaderen en bedienen van de klanten van een ander. In dat verband verwijst het hof naar de opvatting van de wetgever in het kader van een (niet aanvaard) wetsontwerp inzake regeling van relatiebedingen voor werknemers: ‘In het algemeen houdt een relatiebeding in dat het een werknemer niet is toegestaan gedurende een bepaalde periode na de beëindiging van het dienstverband zakelijke betrekkingen te zoeken of te onderhouden met (bepaalde) relaties van de werkgever’ (Kamerstukken I 2004/05, 28 167, nr. E). Met inachtneming van de omstandigheid dat artikel 7 van de overeenkomst van partijen als aanhef heeft ‘Relatiebeding’ is het hof van oordeel dat het doel en strekking van het beding is te waarborgen dat gedurende de overeengekomen periode de werknemers van i4Talent die door IMNederland bij haar opdrachtgevers zijn gedetacheerd (geweest), niet rechtstreeks door i4Talent bij deze opdrachtgevers worden gedetacheerd. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat IMNederland heeft mogen verwachten, en dat i4Talent heeft moeten begrijpen, dat onder passief acquireren in artikel 7 ook verstaan dient te worden de situatie dat een klant (een opdrachtgever) van IMNederland of de (voorheen gedetacheerde) werknemer zelf, i4Talent benadert en dat de laatste daarop met deze opdrachtgever (in dit geval ARBO Unie) rechtstreeks een detacheringsovereenkomst met betrekking tot deze medewerker sluit. Zoals de rechtbank terecht overweegt verwerft i4Talent aldus de opdracht zonder dat zij daarvoor enig initiatief/activiteit heeft hoeven te nemen, maar met voor IMNederland precies dezelfde nadelige gevolgen.
Met betrekking tot de matiging van de boete, oordeelt het hof – onder verwijzing naar onder meer HR 13 juli 2012, LJN BW4986, HR 16 september 2011, LJN BQ8098 en HR 27 april 2007, LJN AZ6638 – dat de maatstaf van artikel 6:94 BW voor matiging van de contractuele boete de rechter tot terughoudendheid noopt. Naar het oordeel van het hof zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot matiging noodzaken.