Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Royal Bank of Scotland en ABN AMRO
Hoge Raad, 8 februari 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY4196

werkneemster/Royal Bank of Scotland en ABN AMRO

Werkneemster heeft geen recht op inzage ex artikel 35 Wbp in stukken, voor zover het correspondentie betreft tussen medewerkers van de verantwoordelijke, die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verantwoordelijke bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad

Werkneemster is sinds 12 maart 2001 in dienst van ABN AMRO. Bij brief van 8 januari 2009 heeft werkneemster op de voet van artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ABN AMRO verzocht haar een overzicht en afschrift te verstrekken van de haar betreffende persoonsgegevens die door ABN AMRO zijn verwerkt. Werkneemster heeft daartoe een verzoek ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat ABN AMRO inmiddels aan het verzoek van werkneemster gehoor zou hebben gegeven. In hoger beroep stond onder meer de vraag centraal of werkneemster recht heeft op inzage in correspondentie tussen de advocaat van ABN AMRO (inmiddels RBS) en de afdeling Legal/arbeidszaken, en andere vertrouwelijke stukken met betrekking tot werkneemster. RBS c.s. stelde dat zij de door werkneemster verzochte gegevens niet behoefde te verstrekken, aangezien deze zouden vallen onder de in artikel 43e Wbp bedoelde uitzonderingsbepaling, op grond van welke bepaling de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verantwoordelijke (opgenomen in interne notities en bedoeld voor intern overleg en beraad) van het inzagerecht worden uitgesloten. Dit lag naar het oordeel van RBS c.s. besloten in onder meer artikel 6, 8, 9 en 10 EVRM en Richtlijn 95/46/EG, waarin de vrijheid van meningsuiting, ongestoorde gedachtewisseling en de mogelijkheid tot het recht op geheimhouding daarvan is neergelegd. Het hof oordeelde uiteindelijk dat correspondentie voor intern overleg en beraad niet onder het bereik van artikel 35 Wbp vallen. Volgens werkneemster miskent het hof hiermee de bijzondere positie die gegevensverwerking in de arbeidsverhouding met zich brengt.

De advocaat-generaal concludeert als volgt. In de onderhavige zaak heeft het hof in aansluiting op de Dexia-jurisprudentie (HR 29 juni 2007, LJN AZ4663 (NJ 2007, 638) en HR 29 juni 2007, LJN AZ4664 (RvdW 2007/641)) onderscheid gemaakt tussen (1) interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verantwoordelijke bevatten en die uitsluitend zijn bedoeld voor intern overleg en beraad en (2) het definitieve op basis van bedoelde notities opgemaakte rapport, en geoordeeld dat het inzagerecht zich niet uitstrekt tot de notities van de eerste categorie. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de verzochte gegevens zien op correspondentie tussen medewerkers, die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verantwoordelijke bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de door werkneemster verzochte gegevens niet onder het inzagerecht van artikel 35 Wbp vallen.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.