Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 februari 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0730

werkneemster/werkgever

Werkgever niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat werkneemster feitelijk de taken van leidinggevende in de zin van de CAO voor het Kappersbedrijf verrichtte. Werkneemster heeft recht op toeslag

(Voortzetting van AR 2012-0680.) Werkneemster is van 1 februari 1996 tot en met 25 maart 2010 bij werkgever in dienst geweest in de functie van haarstylist 2. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Kappersbedrijf van toepassing. Bij tussenarrest is het geschil beslecht over niet-uitbetaalde overuren. Thans staat de vraag centraal of werkneemster ook aanspraak heeft op toeslag wegens het (tijdelijk) waarnemen van de bedrijfsleider.

Het hof oordeelt als volgt. Werkgever heeft het vermoeden dat werkneemster, gelet op haar werkzaamheden, vanaf 1 juli 2006 recht heeft op de bedrijfsleiderstoeslag met zijn verklaring niet ontzenuwd. Hij heeft niet duidelijk gemaakt dat bepaalde, voor de toeslag noodzakelijke, taken niet in de salon werden verricht. Gesteld noch gebleken is dat de bedrijfsleiderstoeslag eerst verschuldigd is vanaf een bepaalde minimale omvang van de kapsalon. Werkgever verklaart weliswaar dat zijn moeder vijf dagen per week in de salon de kas opmaakte, maar hij heeft niet toegelicht hoe hij dat weet, nu hij tevens heeft verklaard dat hij er zelf niet vaak kwam. Zijn op dit punt niet gemotiveerde verklaring staat voorts haaks op de getuigenissen van medewerker 1 en medewerker 2, die hebben gezien dat werkneemster steeds de kas opmaakte. Volgt vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en veroordeling werkgever tot betaling van de toeslag.