Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 februari 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3719

werkneemster/werkgever

Overeengekomen uuromvang in Bevestiging van Uitzending vormt in beginsel geen ‘uitdrukkelijk schriftelijke afwijking’ van artikel 30 CAO voor Uitzendkrachten 2009-2014 (afwijking van art. 7:628 BW)

Tussen werkneemster en werkgever is voor de periode van 14 augustus 2009 tot 13 februari 2010 een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW gesloten. De functie van werkneemster was die van beveiligingsbeambte. Op de arbeidsovereenkomst is de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten 2009-2014 (hierna: de cao) van toepassing. Artikel 30 lid 1 van de cao luidt als volgt: ‘De uitzendonderneming is (in afwijking van het bepaalde in art. 7:628 BW) aan de uitzendkracht werkzaam in fase A alleen het loon verschuldigd over de periode(n), dat de uitzendkracht daadwerkelijk uitzendarbeid heeft verricht, tenzij bij uitzendovereenkomst uitdrukkelijk schriftelijk anders is overeengekomen.’ Werkneemster zit in fase A. Artikel 5 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt: ‘Werknemer is werkzaam in fase A. Werkgever is op grond van artikel 30 van de cao gedurende fase A aan werknemer uitsluitend loon verschuldigd indien daadwerkelijk arbeid wordt verricht.’ In de bij de arbeidsovereenkomst behorende Bevestiging van Uitzending staat onder meer vermeld: ‘Bruto uurloon: € 12,19 (...) Aantal uren per week: 20,80 uur per 4 weken.’ De centrale vraag die partijen verdeeld houdt is of met deze Bevestiging van Uitzending uitdrukkelijk is afgeweken van artikel 30 cao, te weten dat ook als er geen arbeid wordt verricht werkneemster ten minste 20 uur per week loon ontvangt.

Het hof oordeelt als volgt. Aan de orde is de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de hiervoor meermalen weergegeven passage in de Bevestiging van Uitzending mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In het licht van artikel 5 van de arbeidsovereenkomst, waarin uitdrukkelijk is neergelegd dat werkgever werkneemster op grond van artikel 30 van de cao gedurende fase A uitsluitend loon verschuldigd is indien daadwerkelijk arbeid wordt verricht en waarin er geen gewag van wordt gemaakt dat partijen daarvan (bij de Bevestiging van Uitzending of anderszins) zijn afgeweken, kan de bewuste passage alleen dan door werkneemster redelijkerwijs als uitdrukkelijke schriftelijke afwijking van artikel 30 lid 1 van de cao zijn begrepen (en diende werkgever dat zo te begrijpen), indien juist is haar stelling dat werkgever haar in een gesprek (op 7 juli 2009) heeft bevestigd dat zij voor 20 uur in de week zou worden betaald, ook als voor haar geen werkzaamheden voor zoveel uur voorhanden zouden zijn. Werkgever heeft deze stelling echter gemotiveerd betwist. Omdat werkneemster haar vordering op (onder andere) deze stelling baseert, rust op haar te dezen de bewijslast. Het hof zal werkneemster tot bewijslevering van die stelling in de gelegenheid stellen, nu zij daarvan voldoende concreet bewijs heeft aangeboden.