Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 1 juli 2013
ECLI:NL:RBOBR:2013:2777
Inkasso Unie B.V./werkneemster
Werkneemster is sinds 1999 in dienst van Inkasso Unie, laatstelijk als Medewerker Debiteuren Contact Center. Zij is sinds februari 2013 arbeidsongeschikt. Inkasso Unie heeft bij het UWV melding gedaan van collectief ontslag. Voor 23 werknemers zijn ontslagvergunningen aangevraagd. Onderdeel van de reorganisatie is de inrichting van een nieuw functiehuis waarin de specialistische deeltaken die over meerdere afdelingen verspreid waren bijeen gebracht zijn binnen integrale klant- of specifieke productteams. De functie van werkneemster wordt door Inkasso Unie als niet uitwisselbaar met de nieuwe functies geclassificeerd waardoor zij in beginsel boventallig is verklaard. Werkneemster heeft ondanks haar arbeidsongeschiktheid de mogelijkheid gehad zich te kwalificeren voor een andere functie middels een assessment maar helaas is zij daar niet in geslaagd. Thans verzoekt Inkasso Unie ontbinding wegens bedrijfseconomische redenen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Inkasso Unie heeft gekozen voor een reorganisatie volgens de ‘stoelendansmethode’ of ‘Methode de Blécourt’ waarbij een functie(groep) of functiehuis geheel komt te vervallen en de boventallig verklaarde medewerkers kunnen solliciteren naar nieuw gecreëerde functies. Bij deze methode komt men in veel gevallen aan de toepassing van het afspiegelingsbeginsel uit het Ontslagbesluit bij het bepalen van de ontslagvolgorde niet toe. Of deze methode toelaatbaar kan worden geacht is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Voldoende gebleken is dat de nieuwe functie van Dossierbehandelaar niet uitwisselbaar is met de oude functie van Medewerker Debiteuren Contact Center. De nieuwe functie Dossierbehandelaar is op een hoger functieniveau, waarbij (anders dan in de oude functie) ook wordt verwacht dat men inhoudelijk adviseert over de juridische haalbaarheid van dossiers. In de rapportage van het door werkneemster ondergane psychologisch onderzoek is aangegeven dat werkneemster het gewenste mbo+-niveau niet haalt en dat zij door de psycholoog matig geschikt wordt geacht voor de nieuwe functie. Gesteld noch gebleken is verder dat de arbeidsongeschiktheid van werkneemster de uitkomst van het psychologisch onderzoek negatief heeft beïnvloed of dat werkneemster door haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om mee te dingen naar een van de nieuwe functies. Nu werkneemster boventallig is geworden en er geen andere passende functies zijn, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Het habe nichts-verweer is door Inkasso Unie onvoldoende onderbouwd en wordt verworpen. Er wordt een vergoeding toegekend met C=1 (€ 9.498 bruto).