Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer (44 jaar) is vanaf zijn tewerkstelling van 1992 tot 1999 in het bedrijf X aanvankelijk vijf, later vier dagen per week meer dan 1000 doppen met de hand op flessen draaide nadat deze waren afgevuld. In verband met langzaam ontstane progressieve pijnklachten welke eind 1998 ontstonden van de tweede en derde vinger melde hij zich uiteindelijk bij de bedrijfsarts. De deskundige oordeelde als volgt: gezien het feit, dat betrokkene dag in dag uit dezelfde repetitieve handeling verrichtte met zijn dominante rechterhand gedurende een fors aantal jaren (gemiddeld uitgaande van 300 doppen per dag gedurende vier dagen per week, 47 weken over acht jaar er ongeveer een half miljoen doppen zijn aangedraaid) en daarbij altijd dezelfde twee vingers het meest belast zijn, te weten de wijs- en de middelvinger, mag worden aangenomen, dat dit toch wel enig effect heeft op de conditie van de hand. Naar zijn oordeel is sprake van een causaal verband tussen de werkzaamheden en het ziektebeeld van werknemer. X voert als verweer dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de volgende twee omstandigheden: 1. werknemer was gemiddeld genomen zo'n 75 dagen per jaar arbeidsongeschikt wegens ziekte (waardoor het aantal dagen doppendraaien lager uitvalt) en 2. werknemer heeft op grote schaal bijgeklust. Dit blijkt ook uit de vordering van werknemer voor vergoeding van schade van het 'zwart werk'.
Het hof oordeelt hierover als volgt: in het tussenarrest van 8 februari 2011 heeft het hof overwogen en beslist dat het causaal verband tussen het werk bij X en de peesschedeontsteking van werknemer vaststaat, tenzij X bewijst dat de peesschedeontsteking niet door het werk is ontstaan. In het kader van het door X te leveren bewijs is deskundige Y tot deskundige benoemd. In het tussenarrest van 8 februari 2011 is het hof ingegaan op de zogenaamde arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Het hof heeft in dat verband overwogen dat deze regel geen toepassing is van de omkeringsregel, waarbij de bewijslast niet verschuift, maar een zuivere omkering van de bewijslast bewerkstelligt. De Hoge Raad heeft op 7 juni 2013 een tweetal arresten gewezen (ECLI:NL:HR:2013: BZ1717 en ECLI:NL:HR:2013: BZ1721), waaruit volgt dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet tot een omkering van de bewijslast leidt, maar slechts het vermoeden uitdrukt dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat betekent dat de werkgever indien toepassing is gegeven aan deze regel niet hoeft te bewijzen dat de gezondheidsklachten niet zijn veroorzaakt door de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden heeft verricht, maar kan volstaan met het ontzenuwen van het vermoeden dat dit het geval is. Het hof komt dan ook terug van genoemd tussenarrest en van hetgeen het, als uitvloeisel daarvan, heeft overwogen over het door X te leveren bewijs. X kan dan ook volstaan met het ontzenuwen van het vermoeden dat van causaal verband tussen de werkzaamheden van werknemer en de peesschedeontsteking bij werknemer sprake is. Naar het oordeel van het hof heeft X terecht aangevoerd dat de deskundige geen rekening heeft gehouden met de twee omstandigheden. Het hof verzoekt de deskundige nader te rapporteren. De zaak wordt aangehouden.