Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 25 september 2013
ECLI:NL:RBNNE:2013:5682
werknemer/Hecs B.V.
Werknemer is sinds 1997 in dienst van (een rechtsvoorganger van) Hecs in de functie administratief medewerker/intercedent/planner/vestigingsmanager. In 2002 is werknemer mishandeld door een uitzendkracht. Hij is vanaf omstreeks april 2006 tot 2008 bedreigd door de heer B die aangaf dat hij optrad namens een aantal voormalige uitzendkrachten van Hecs die niet tevreden waren met de behandeling van Hecs. In 2008 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 19 november 2009 is de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie ontbonden onder toekenning van een vergoeding met C=1. Op 11 mei 2010 heeft werknemer Hecs aansprakelijk gesteld op basis van artikel 7:658 BW, 7:611 BW en 6:162 BW. Een psychiater heeft een deskundigenrapport opgesteld. Werknemer stelt dat met het rapport van de psychiater aannemelijk is gemaakt dat hij lijdt aan een psychische aandoening die niet zou hebben bestaan indien werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Hecs de traumatische gebeurtenissen (mishandelingen) niet zou zijn overkomen. Hecs heeft haar zorgplicht geschonden, doordat na de mishandelingen niets is ondernomen en er niets is gedaan aan de veiligheid van de werknemers. Als gevolg van de psychische klachten is werknemer alcohol en cannabis gaan gebruiken.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Aan de ontbindingsbeschikking komt geen exclusiviteit toe, zodat werknemer onderhavige vorderingen kan instellen. In dit geval ging het om een mishandeling van werknemer door een uitzendkracht. Niet, althans onvoldoende is gesteld, laat staan gebleken, dat tussen die mishandeling en de vervulling van zijn taak door die ondergeschikte een functioneel verband bestond. Een beroep op artikel 6:170 BW gaat om die reden al niet op. Onder verwijzing naar het arrest De Rooyse Wissel (HR 11 november 2011, AR 2011-0922) en het rapport van de psychiater wordt geoordeeld dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden (psychische) schade heeft opgelopen. Hecs heeft, onbetwist, gesteld dat werknemer als vestigingsmanager nauwelijks fysieke contacten had met de directie in Rotterdam en Arnhem en dat werknemer een vorm van zelfstandig ondernemerschap wilde. Mede gelet hierop, is van schending van de zorgplicht door Hecs geen sprake. Niet valt in te zien welke maatregelen bij het ontbreken van een redelijke aanwijzing van een dreigende mishandeling of bedreiging, Hecs redelijkerwijs had behoren te treffen om te voorkomen dat een mishandeling en/of de bedreiging als de onderhavige plaatsvond. Hecs heeft verder gesteld dat nadat zij op de hoogte was gekomen van de bedreiging door B, B wilde kennelijk een auto op kosten van Hecs gebruiken, met B ter zake een regeling is getroffen door haar directielid. B heeft daarbij de garantie gegeven dat zowel werknemer als Hecs nimmer meer last zouden hebben van B en zijn groep. Deze maatregelen dienen in het onderhavige geval als adequaat en effectief te worden aangemerkt. Volgt afwijzing van de vorderingen.