Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 9 oktober 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:7291
werknemer/Vereniging Laurentius
Werknemer is sinds 2001 in de functie van statutair directeur in dienst van Laurentius, een woningcorporatie. Hij is op 21 mei 2012 aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van (het al dan niet tezamen met anderen medeplegen van) oplichting, verduistering, witwassen, als bestuurder meewerken aan verboden transacties en omkoping van anderen dan ambtenaren. Werknemer werd ervan verdacht geld te hebben verdiend aan onroerendgoedtransacties voor Laurentius en dit (gedeeltelijk) voor zichzelf te hebben behouden. Justitie heeft een koffer met € 700.000 aan contant geld gevonden waarvan werknemer heeft verklaard dat deze van hem is. Op 22 mei 2012 is werknemer geschorst. Op 23 juni 2012 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 11 juli 2012 is werknemer als statutair bestuurder ontslagen. Op 17 juli 2012 heeft Laurentius werknemer bericht dat de schorsing gedurende het interne onderzoek zal voortduren en dat het loon niet zal worden doorbetaald. De door werknemer ingestelde loonvorderingen zijn twee keer afgewezen (zie AR 2012-0729 en AR 2013-0034). Op 31 januari 2013 is werknemer, nadat Laurentius stukken uit het strafproces heeft ontvangen, op grond van dertien feiten en omstandigheden op staande voet ontslagen. Werknemer beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag. Hij stelt dat een dringende reden ontbreekt en niet aan de onverwijldheidseis is voldaan. Voorts vordert hij loondoorbetaling over de periode dat hij geschorst is geweest.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De loonvordering over de periode van schorsing wordt afgewezen. Er is geen reden om van de eerdere oordelen (AR 2012-0729 en AR 2013-0034) af te wijken. Voornamelijk het feit dat werknemer heeft geweigerd mee te werken aan een forensisch onderzoek en heeft geweigerd een verklaring af te leggen over de gevonden € 700.000 leidt tot het oordeel dat de schorsing voor rekening van werknemer dient te komen. De ‘houdbaarheidsdatum’ van het oordeel van 16 januari 2013 (AR 2013-0034) was ten tijde van het ontslag op staande voet nog niet verstreken.
Voorts wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Na ontvangst van de stukken van het OM zijn enige dagen interne lees- en overlegtijd binnen Laurentius gerechtvaardigd. Niet is gesteld of gebleken dat Laurentius onnodige tijd heeft laten verstrijken tussen de ontvangst van de stukken van het OM en het ontslag op staande voet. Hoewel Laurentius werknemer in de brief van 29 januari 2013 heel weinig tijd heeft gegeven op de dertien genoemde omstandigheden te reageren, heeft werknemer, door afhoudend en in niet-concrete termen te reageren, het toch voornamelijk aan zichzelf te wijten dat de hem voorgelegde constateringen onweersproken zijn gebleven. De kennisneming van de stukken uit het strafdossier wordt beschouwd als nieuw feit. De feiten die in de brief van 29 januari 2013 zijn opgesomd en voortvloeien uit het strafproces, leveren een dringende reden op. In ieder geval acht van de in de brief van 29 januari 2013 aangevoerde feiten leveren een ernstig vermoeden van fraude op en groeien tot een in civilibus genoegzame zekerheid uit door de afwezigheid van een deugdelijke, goed onderbouwde betwisting door werknemer, van wie als bestuurder veel meer mocht worden verwacht dan algemeenheden en ongeloofwaardige verweren. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding zouden moeten geven tot de conclusie dat een ontslag op staande voet in dit geval ‘een brug te ver’ zou zijn. Volgt afwijzing van de vorderingen.