Rechtspraak
Hoge Raad, 8 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1134
Vereniging van gepensioneerden van de Delta Lloyd Groep/Delta Lloyd N.V.
(Cassatieberoep van AR 2012-0572.) De gepensioneerden en gewezen deelnemers waarvan de Vereniging de pensioenbelangen behartigt, zijn in dienst geweest bij Delta Lloyd. Delta Lloyd heeft haar pensioenregeling ondergebracht bij het Pensioenfonds. De pensioenregeling is steeds onderwerp van gesprek tijdens de ondernemings-cao-onderhandelingen welke cao door incorporatie van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten. Daarnaast geldt een personeelshandboek waarin het pensioenreglement en de statuten van het Pensioenfonds zijn opgenomen. Dit personeelshandboek bevat tevens een eenzijdig wijzigingsbeding. In de arbeidsovereenkomst is dit personeelshandboek van toepassing verklaard en is tevens gewezen op het eenzijdig wijzigingsbeding dat daarin is opgenomen. In artikel 10 van de statuten van het Pensioenfonds is bepaald dat het pensioenreglement niet in strijd mag zijn met de statuten van het Pensioenfonds. Bij brief van 27 november 2006 zijn de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden door het Pensioenfonds geïnformeerd dat de onvoorwaardelijke indexering – althans de regeling zoals die van toepassing was op gewezen deelnemers en gepensioneerden in de pensioenregeling die gold vóór 1 augustus 2000 – met ingang van 1 januari 2011 zou worden gewijzigd in een voorwaardelijke indexering (in verband met de economische crisis en de opgelegde verplichting reserves aan te leggen voor onvoorwaardelijke aanspraken). De Verenging vordert een verklaring voor recht dat pensioenreglement 2000, 2001, 2002 en 2003 een recht op onvoorwaardelijke indexatie van ingegane pensioenen bevatten en dat zij die na 1 augustus 2000 gewezen deelnemer en/of gepensioneerde van het Pensioenfonds zijn geworden ook na 1 januari 1999 recht hebben op een onvoorwaardelijke indexatie van hun ingegane pensioenen. Zij vorderen voorts dat het Harmonisatiebesluit (omzetting onvoorwaardelijke in voorwaardelijke aanspraken) ongedaan wordt gemaakt. De Vereniging c.s. hebben hun vorderingen hierop gegrond, kort gezegd, dat vóór 1 januari 1999 een onvoorwaardelijke indexeringsregeling gold, dat de wijziging van het pensioenreglement in het jaar 2000 niet tot gevolg heeft gehad dat voor de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden die op of na 1 augustus 2000 in dienst waren bij Delta Lloyd een voorwaardelijke indexeringsregeling is gaan gelden, dat het Harmonisatiebesluit van 2006 er evenmin toe heeft geleid dat de indexatiebepalingen – die een onvoorwaardelijk karakter hadden – voor gewezen deelnemers en gepensioneerden een voorwaardelijk karakter hebben gekregen en dat het Delta Lloyd en het Pensioenfonds in dat kader niet vrijstond de wijze van financiering van de indexeringsregeling in die zin te wijzigen dat niet langer Delta Lloyd de kosten van indexering betaalde maar het Pensioenfonds dit uit eigen middelen diende te doen. De kantonrechter heeft de vorderingen grotendeels afgewezen. De kantonrechter en het hof hebben de vorderingen afgewezen.
De advocaat-generaal (Wesseling-van Gent) concludeert als volgt. De klacht dat het hof bij de uitleg van de bepalingen van het pensioenreglement niet de objectieve cao-maatstaf had moeten hanteren, maar (ook) betekenis had moeten toekennen aan de bedoeling van de opstellers van dat reglement stuit op hetgeen is overwogen in HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427. Bij een pensioenregeling past in beginsel de cao-norm. Zonder kenbare bedoeling van partijen, dient de tekst van de regeling doorslaggevend te zijn. De Vereniging c.s. hebben in dit verband allereerst aangevoerd dat zij, althans de leden van de Vereniging, toen zij nog werknemer waren van Delta Lloyd, met Delta Lloyd zijn overeengekomen dat zij recht hebben op een pensioen met een onvoorwaardelijke indexatie en dat de werkgever (deels) de kosten draagt voor deze indexatie, dat een eenmaal gemaakte afspraak in beginsel slechts kan worden gewijzigd indien beide partijen het met die wijziging eens zijn en dat zij zich niet akkoord hebben verklaard met de door Delta Lloyd in dit geval voorgestelde wijziging, zodat sprake is van een eenzijdige wijziging van de kant van Delta Lloyd die daarom niet rechtsgeldig is. Dit betoog faalt, reeds omdat uit het voorgaande volgt dat het Pensioenfonds krachtens artikel 22 van zijn statuten jo. artikel 7 lid 1 aanhef en sub i PSW (onder de daarin bepaalde voorwaarden) in beginsel bevoegd was wijzigingen aan te brengen in de statuten en het pensioenreglement en, naar vaststaat (zie hiervoor onder 3.1 sub (v)26), (a) de pensioenregeling altijd onderdeel is geweest van de op de arbeidsovereenkomsten tussen Delta Lloyd en haar werknemers toepasselijke cao, (b) die cao standaard was geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomsten die Delta Lloyd als werkgever sloot met haar personeel, (c) daarnaast bij Delta Lloyd een personeelshandboek bestond waarin het pensioenreglement en de statuten van het Pensioenfonds waren opgenomen en dat tevens een eenzijdig wijzigingsbeding bevatte, en (d) de inhoud van dit personeelshandboek in de arbeidsovereenkomst van toepassing was verklaard, waarbij tevens werd gewezen op het eenzijdig wijzigingsbeding dat daarin was opgenomen. In cassatie moet derhalve uitgangspunt zijn dat het (bestuur van het) Pensioenfonds in 2006 krachtens artikel 22 van de statuten in verbinding met artikel 7 lid 1 aanhef en onder i PSW bevoegd was – na het inwinnen van advies van de deelnemersraad – tot wijziging van die statuten en van het pensioenreglement, met name ook wat betreft wijziging van de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers en andere belanghebbenden in gevallen waarin de financiële toestand van het fonds daartoe aanleiding geeft. Voorts staat in cassatie vast dat bedoelde wijzigingen in de statuten en het pensioenreglement ook konden worden aangebracht ten opzichte van de leden van de Vereniging, die, toen zij nog werknemer waren van Delta Lloyd, met Delta Lloyd zijn overeengekomen dat zij recht hebben op een pensioen met een onvoorwaardelijke indexatie, zodat de door Delta Lloyd voorgestelde wijziging rechtsgeldig is. Daar komt bij dat de Hoge Raad inmiddels bij arrest van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA0566) – voor zover hier van belang – heeft beslist dat de – ook op de onderhavige zaak van toepassing zijnde – Pensioen- en Spaarfondsenwet niet in enige maatstaf voorzag voor de beoordeling van een eenzijdige wijziging in pensioenreglementen, zodat, voor zover de pensioenreglementen de bevoegdheid tot wijziging geven, het gebruikmaken van die bevoegdheid in beginsel geoorloofd is. De in dat verband door de Hoge Raad genoemde uitzondering komt hierna aan de orde. De stelling dat bij een wijziging van een pensioenregeling in feite artikel 7:613 BW heeft te gelden als maatstaf, wordt inhoudelijk niet beoordeeld, daar de Vereniging niet is opgekomen tegen de vaststelling van hof dat er op andere gronden reeds een wijziging kon plaatsvinden. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.