Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Harderwijk), 5 november 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:8304
werkneemster/Beeuwkes Thuiszorg BV
(Hoger beroep van AR 2012-0077.) Werkneemster is sinds februari/maart 2007, na daartoe door Beeuwkes te zijn geworven, werkzaam als ‘alphahulp’. Omstreeks december 2008 verrichtte zij in die hoedanigheid huishoudelijke werkzaamheden bij negen hulpbehoevenden. Van 18 december 2008 tot en met 30 januari 2009 was zij arbeidsongeschikt. Nadien was zij alleen ’s middags werkzaam, waarbij zij per week 14,5 uur werkte. Beeuwkes is een organisatie gericht op het verlenen van thuiszorg. Beeuwkes heeft met de gemeente Harderwijk, na een aanbestedingsprocedure in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), een ‘raamovereenkomst voor het leveren van hulp bij huishouden in het kader van de wet maatschappelijke ondersteuning’, gedateerd 28 november 2006, gesloten. Beeuwkes is verplicht de gegarandeerde zorg – zoals met de gemeente overeengekomen – aan te bieden. Dit doet Beeuwkes door middel van inzet van alfahulpverleners. Naar het oordeel van Beeuwkes is er geen arbeidsovereenkomst tussen haar en de alfahulpverlener, maar tussen de hulpbehoevende en de alfahulp. Beeuwkes beschouwt zichzelf als bemiddelaar. Daarnaast betaalde Beeuwkes namens cliënten het loon en deed zij verschillende administratieve handelingen. In deze procedure heeft werkneemster jegens Beeuwkes over de periode van haar arbeidsongeschiktheid – 18 december 2008 tot en met 30 januari 2009 – doorbetaling van (70% van haar) loon gevorderd op grond van artikel 7:629 BW, primair op grond van een volgens werkneemster met Beeuwkes bestaande arbeidsovereenkomst. Subsidiair heeft zij gesteld dat Beeuwkes krachtens haar ‘kassiersfunctie’ gehouden is aan werkneemster te voldoen, hetgeen de cliënten uit hoofde van hun uit artikel 7:629 lid 2 BW voortvloeiende loondoorbetalingsverplichting aan haar zijn verschuldigd. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is van oordeel dat de verhouding tussen werkneemster en Beeuwkes gelet op alle omstandigheden van het geval als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW dient te worden aangemerkt. Het hof wijst daarbij, alles overziend, in het bijzonder op de volgende, hiervoor besproken, omstandigheden:
– dat Beeuwkes de alfahulpen werft in het kader van de uitvoering van (het pakket van) de zorgtaken die Beeuwkes jegens de gemeente op zich heeft genomen;
– dat de organisatie van Beeuwkes feitelijk en juridisch (raamovereenkomst) is (in)gericht op het uitvoeren van haar verplichtingen jegens de gemeente, door middel van (o.m.) alfhahulpen, waartoe zij alphahulpen werft en deze koppelt aan hulpgeïndiceerde cliënten;
– dat Beeuwkes wel enige instructiebevoegdheid heeft jegens de alfahulpen, bijvoorbeeld ten aanzien van het ondertekenen en laten ondertekenen door de cliënt van de ‘arbeidsovereenkomst’; het inleveren van het urenbriefje, hoe te handelen bij ziekte/verhindering;
– dat de verhouding tussen alfahulp en cliënt voor het overgrote deel (tevoren) is vastgelegd in door Beeuwkes opgestelde contracten;
– dat na de bemiddeling door Beeuwkes sprake blijft van een voortdurende inhoudelijke en administratieve betrokkenheid van Beeuwkes bij de door de alfahulp verrichte werkzaamheden;
– dat de hoogte van het loon wordt bepaald in de verhouding tussen de alfahulpen en Beeuwkes en de loonbetaling in overwegende mate (feitelijk) door Beeuwkes geschiedt en die betaling slechts een verwijderd en indirect verband heeft met de afdracht van de eigen bijdrage van cliënten aan het CAK.
Dat de feitelijke instructiebevoegdheid over het werk overwegend bij de cliënt ligt en het gezag van Beeuwkes ten opzichte van de alfahulp (dus) een meer algemeen karaker heeft, legt tegenover de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal. Dat de UWV en Belastingdienst zich met betrekking tot de zogenoemde modelovereenkomst alfahulpen op het standpunt hebben gesteld dat niet de thuiszorginstelling maar de cliënt werkgever is, doet aan dit oordeel omtrent de civielrechtelijke verhoudingen tussen partijen niet af. Het geheel overziend, moet de verhouding tussen werkneemster en Beeuwkes worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst waarbij zij, ter uitvoering van een daartoe (na verwijzing door de gemeente) door de cliënt(en) aan Beeuwkes verstrekte opdracht, aan die cliënten ter beschikking wordt gesteld (vgl. art. 7:690 BW). Een zieke alfawerker heeft recht op loon ex artikel 7:629 BW.